1996-1-1 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

1996-1-1

Publicatie's > Ons blad De Bewaarsman
 
 
Het beroep van bewaarsman
Wim de Ridder, ex-bewaarsman

Bewaarsman is de benaming van een nevenberoep, meestal uitgeoefend door kleine boeren, in dit geval in de Eempolders. Het kwam veel voor dat boeren uit verder gelegen gemeenten enkele hectaren land bezaten in deze polders. Dit land lag te ver van huis om toezicht te houden op het jongvee dat daar van mei tot november verbleef. Een oplossing was dit werk uit te besteden aan een polderboer, iemand die daar was opgegroeid en goed bekend was. De bewaarsman had een vertrouwensberoep. Men had immers het toezicht (bewaren) over een groot aantal jonge runderen van verschillende eigenaren, die af en toe eens op een zondag gingen kijken. Hierop ingespeeld, verkocht de bewaarsman ook wel een borrel. De familie van boerderij Landzicht op de Zeldertseweg is daarvan een goed voorbeeld. Zij hadden dan ook een volledige schenkvergunning die van vader op zoon ging. Zelf ben ik bewaarsman in de polder Neerzeldert geweest van 1970 tot 1990. Daar lag ook mijn boerderij, aan de Zeldertseweg 78, naast Landzicht. 

Ik heb het werk overgenomen van mijn vader Hendrik (Hent de Ridder 'de Kievit'). Hij was bewaarsman van 1965 tot zijn dood in 1970. Mijn vader was toen al gepensioneerd en woonde niet meer op onze boerderij, maar aan de Hamseweg. Hij was bewaarsman geworden toen Peter Botterblom van Landzicht ermee stopte; in zijn jonge jaren was vader samen met twee broers immers al bewaarsman geweest aan de Lodijk (ca 1900-1925). Het beroep ging traditiegetrouw over op de zoon die op de boerderij bleef. De taak van de bewaarsman was de toestand van het vee in het oog te houden en er op toe te zien dat het in het juiste perceel bleef. Verder zorgde hij ervoor dat het gedekt werd wanneer het tochtig was en maakte hij de scheidingssloten éénmaal per jaar schoon.



Wim de Ridder met een stier, 1984

De werkzame periode begon in mei. 's Morgens werd met de polsstok op de nek, een paar koetouwen om de schouder, de ronde gedaan langs het vee. Dat waren hier vier, daar zeven of negen of twaalf, tot een totaal van soms 240 stuks. Het eiste dus een goed geheugen, vooral bij uitbreken, het over of door de sloten gaan naar de buurwei. De vraag was dan: wie hoort waar? Een fotografisch geheugen was dan goud waard.Bij hardnekkig uitbreken moest de dader gekoppeld worden. Dat was toen geen zeldzaamheid, omdat er nog geen afrasteringen waren. Met hulp van vrouw en kinderen (persoonlijke ervaring) werden de overtreder en een onschuldige met veel moeite gestrikt. Dat gebeurde met behulp van de polsstok met een lang touw aan het topje. Na hevig gespartel werden de dieren gekoppeld met behulp van twee koetouwen en een balkje van een meter lengte. Zo weerhield de een de ander van uitbreken. Men moet niet vergeten dat dit jongvee nog nooit een touw had gezien en dus niet erg handzaam was. Als men zo'n dier om de horens gestrikt had, begon de strijd wie de langste adem had. Menig bewaarsman is op zijn buik meegesleurd door het natte gras. Soms waren spierscheuren het gevolg. Een gouden regel was: vasthouden en nooit meer loslaten.



Peter Botterblom bij café Landzigt en rechts Jan Ridder, bewaarsman in Nijkerk, ca. 1981
(foto’s Brand Overeem)

Een verschrikking voor de bewaarsman was de runderhorzel, een insect dat op hete dagen in juli en augustus vloog. Deze grote vlieg legde zijn eitjes in het rugvel van de pinken. Om aan dit gevaar te ontkomen gingen de pinken bizzen. Zij galoppeerden dan massaal door de wei, met de staarten in de lucht, om zo aan de horzels te ontkomen. Hierdoor ontstond soms een onbeschrijfelijke wanorde. Veel dieren gingen door de sloten en bleven ook wel in de drassige bodem steken. Er was dus veel werk voor de bewaarsman om alles weer op orde te krijgen. De bewaarsman was tevens stierehouder. Elk jaar schafte hij een nieuwe stier aan die voor de baas uit leerde lopen, geleid aan een lang touw. Ook moest het dier leren slootjespringen, zodat men zo nodig een kortere weg kon nemen.Wanneer de bewaarsman op de ochtendronde had gezien dat één of meer pinken tochtig waren, kwam deze terug met de stier. Deze werd weer aan het lange touw naar het bewuste pink geleid, want voor een mens ging een tochtige pink op de loop. Als het dekken niet geslaagd was, dan bleek dat na ongeveer drie weken. Dan was dat pink weer tochtig en moest de ceremonie herhaald worden. In ongunstige gevallen kon dat wel vijf keer gebeuren. Dat was pech voor de bewaarsman, want dit leverde geen extra verdienste op. In dit vak was het altijd "drie weken garantie". 

Tenslotte het werk aan de poldersloten. Door het Waterschap zijn daarvoor regels uitgevaardigd omtrent de breedte en het schonen. Van de lengtesloten moest er één schoon zijn in mei, de volgende in november, zodat er lente- en herfstsloten waren. Dit schonen was meestal ook het werk van de bewaarsman. De ingetrapte slootkanten werden met een schoemes afgehakt, de afgehakte zoden en waterplanten op de kant getrokken met de laaik, een schoffel waarvan het blad onder een hoek van 45 graden staat. Al met al een zware klus die tweemaal per jaar gedaan werd en weken, soms maanden duurde. Dit werk werd gedaan als op het eigen boerderijtje tijd over was. Na Nieuwjaar (niet eerder) ging de bewaarsman op pad om zijn verdiende geld te incasseren. Boeren verschrikken noemde men dat. In werkelijkheid was het de rekening presenteren voor trouw en hard werken; alleen het bullegeld (dekgeld) was door een ander verdiend. Het zomerhalfjaar was een drukke en zware tijd geweest. De netto verdiensten per uur waren omgerekend niet hoog, maar als in januari het geld binnenkwam dacht de bewaarsman: "mooi meegenomen". Na de verkaveling van 1950 en de aanleg van nieuwe wegen is er in dit nevenberoep veel veranderd. Nu is het mogelijk om met auto, trekker of fiets de polder te doorkruisen, eventueel met goede verrekijker. De stier hoeft niet meer te lopen, want die gaat nu mee in een trailer. De sloten worden alleen nog in het najaar geschoond. Er zijn nieuwe boerderijen in de polder gebouwd. Menig boer die wat verder woont gaat zelf naar zijn vee kijken, dus het beroep van bewaarsman dreigt te verdwijnen. Zelfs de naam, want men noemt hem nu oppasser...
 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu