1996-1-3 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

1996-1-3

Publicatie's > Alle artikelen
 
 
Nieuwe inzichten over Middeleeuwse polders
Boekbespreking door Gerard Raven

In december verscheen De Eemlandtsche leege landen. Ontginningen rond de mond van de Eem in de 12 en 13e eeuw van C. Dekker en M. Mijnssen-Dutilh (Stichtse Historische Reeks 19, uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, f 29,90). Dit is boeiende lectuur voor iedereen die geïnteresseerd is in het Hooglandse landschap en de vroege geschiedenis ervan. De auteurs zijn respectievelijk hoogleraar middeleeuwse geschiedenis en waterschapsarchivaris. Zij hebben een indrukwekkende hoeveelheid archieven doorgewerkt en daar op grond van hun deskundigheid op het gebied van feodaliteit en waterbeheer belangrijke conclusies uit weten te trekken die de bestaande literatuur op veel punten aanvullen of corrigeren.

Omdat de auteurs zich niet tot één dorp beperken, worden ook de onderlinge relaties tussen Eemnes, Bunschoten, Baarn, Soest en Hoogland veel duidelijker. Bovendien is de geschiedenis van de ontginningen en afwatering een ideale invalshoek om duidelijk te maken hoe die ingewikkelde feodale maatschappij in de praktijk werkte. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk dat vertegenwoordigers van de bisschop en verschillende kloosters elkaar vaak in de haren zaten over rechtspraak, belastingen en onderhoud van de afwatering. De auteurs kunnen als eersten een vrij nauwkeurige datering geven voor de ontginningen in Hoogland. Het was al bekend dat er verschillende fasen te onderscheiden waren die samenhingen met de waterstand in het gebied: de zandgronden van het Hogeland waren al vanaf de 8e/9e eeuw ontgonnen, het veengebied ten noorden ervan volgde later. Nu kan een nader onderscheid gemaakt worden. In de 12e eeuw werd aan de nog tamelijk hooggelegen polders Duist & Langerijst, Calveen, Nieuwland, Zeldert en De Haar begonnen. Een belangrijke stap voorwaarts was de watersnood van 1170, omdat deze een aantal banken in het Almere wegsloeg en zo de afwatering van het Eemgebied verbeterde. Hierdoor kwam nieuw land droog te liggen. Al korte tijd later werden de polders De Slaag en Eemland ontgonnen en in de 13e eeuw ook Duist.

Vaak was de ontginning een langdurig proces, omdat de hooggelegen delen het eerst bewoond waren en van daar uit verder gewerkt werd. Dit verklaart namen van boerderijen eindigend op -burg, maar oorspronkelijk -berg: Laurenberg, Hamelenberg, Netelenberg, Wolkenberg, Bloemberg en ook Kerkhorst (=Westerlaak). Het waren oude hoeven die oorspronkelijk op eilandjes lagen; die langs de Eem ressorteerden oorspronkelijk zelfs onder Soest of Baarn. De auteurs maken als eersten duidelijk dat afwijkende situaties rond het waterbeheer eenvoudig te verklaren zijn door het verloop van een ontginning. Zo was het gebied rond de Bunschoterstraat vóór 1170 nog een brede kreek, de Zeldrecht, overgaand in de Haarsaterdrecht. Vaak kon men alleen per schip doorreizen richting eiland Bunschoten. Toen ook de kreken werden drooggelegd bedongen de boeren óp de oudere kavels van De Haar dat hun nieuwe collega's het onderhoud van de afwatering over westelijker land naar de Eem zouden verrichten. Bovendien hoefden boeren uit oudere ontginningen als Zeldert en De Haar geen betalingen te verrichten voor de afwatering door nieuwere polders als De Slaag en Eemland. Op soortgelijke wijze reconstrueren Dekker en Mijnssen aan de hand van oude onderhoudsplichten een weg van zuid naar noord die er al eind twaalfde eeuw geweest moet zijn. Zoals de Oudeweg de ontsluiting was voor Zeldert was De Haar te voet te bereiken over een route die Zeldert en De Haar aan de westzijde begrensde. In het verlengde van de Slaagseweg en de Zeldertse Lodijk liggen nu twee smalle stroken land die tot aan de Haarseweg reiken, maar destijds een pad moeten hebben gevormd. 

Terwijl vroegere ontginningen door de boeren zelf waren ondernomen, waren de nieuwe vaak grootschalige projecten op bevel van de bisschop. In De Haar was de uitvoering nog aan de heren van Amersfoort opgedragen. Bij Duist hield de bisschop de ontginning in eigen hand, zodat hij ook de rechtspraak en belasting kon behouden. De stadsarcheologen ontdekten dat de bewoning in natte polders als Nieuwland maar kortstondig is geweest (De Bewaarsman okt. 1995). Zij veronderstelden dat veel 'mislukte' boeren naar Amersfoort zijn verhuisd. Dekker en Mijnssen komen met een logischer visie: veel pachters zijn niet wegtrokken, maar woonden alleen elders. Zo wordt nog in 1436 vermeld dat boeren die binnen de Amersfoortse wallen woonden al om 3 uur 's morgens vertrokken, omdat zij een uur naar hun land moesten lopen.Dit is een wetenschappelijk boek dat enige historische voorkennis vereist. Door het heldere betoog, duidelijke kaarten en een woordenlijst is het toch toegankelijk voor elke geïnteresseerde.
Gerard Raven



 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu