1997-3-3 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

1997-3-3

Publicatie's > Ons blad De Bewaarsman
 
 
Boerderij Bosserdijk sinds 1620 (deel 2)
Gerard Raven

Twee eeuwen lang één pachtersfamilie
In 1619/'34 bezat Bosserdijk 35 1/2 morgen land (een morgen is 0,85 ha). Daarvan lag 28 1/2 morgen bij de hoeve en 6 1/2 in Nieuwland. De pachter was toen Reyer Gerritsz. Hij pachtte ook nog eens 9 morgen van Reyer Jan Gouwen, de eigenaar van Kattenbroek. Bij deze betalingen komt overigens ook geregeld een Gerrit Reyersz voor, vermoedelijk de vader of zoon van de pachter. Deze Gerrit pachtte samen met Peter in de Hey nog eens 12 morgen onder Hoogland van Willem Willemsz van Groteloo en Peter van Hees. Waarschijnlijk was Reyer Gerritsz de vader van Hendrik Reyersz, de volgende pachter van Bosserdijk. Hendrik kreeg minstens twee kinderen. De namen van zijn moeder en echtgenote waren niet te achterhalen. Zijn dochter Geertje trouwde in 1669 met Gosen Petersz van herberg De Klapmuts. Twee jaar later trouwde Hendriks zoon Reyer met Teuntje Willems, de dochter van Willem Wulfersz, molenaar op de Molenheuvel. In de Hooglandse trouwregisters van 1674 en 1675 komen nog twee personen voor die mogelijk jongere kinderen van Hendrik Reyersz waren: respectievelijk Meins en Gerrit Hendriksz, van Bosserdijk.

Reyer en Teuntje kregen drie kinderen: Reyer (1672), Heyltje (waarschijnlijk 1675)en Petronel (1678). Reyer is hoogstwaarschijnlijk jong overleden, Petronel huwde in 1703 met Bart Jansz en ging op Kattenbroek wonen. Heyltje moet het kind in de wieg zijn geweest dat dit gezin had toen het gerecht Hoogland in 1675 een lijst van huisgelden liet opmaken. Bosserdijk besloeg toen 30 morgen. Heyltje trouwde in 1699 met Teunis Dirksz, die in 1679 geboren was als zoon van Dirk Comelisz en Weympje Jans. Heyltje en Teunis namen de boerderij van vader Reyer over. In 1728 werd Teunis vermeld als schepen van Hoogland. Hun kinderen waren Reyer (1700), Willem(1701), Maria (1711), Teuntje (1715) en Dirk (1721). Op Teuntje komen wij nog terug. Dirk trouwde in 1744 met Aaltje van Velsen en verhuisde naar boerderij De Botterblom in Zevenhuizen. Aaltje was enig kind en Dirk werd zo de stamvader van de familie van die naam. Opnieuw erfde een dochter de pacht toen Teunis Dirksz overleed; mogelijk was hij de Teunis Dirksz die in 1746 in de registers werd ingeschreven. Teuntje Teunis was in 1739 getrouwd met Willem Lammertsz, die in 1709 te Lankeren (Barneveld) was geboren als zoon van Lammert Gaarten en Bietje Hendriks. Willems ouders waren al eerder overleden, waarna hij op boerderij Scham te Stoutenburg had gewoond. Toen Willem in 1748 overleed liet hij een zwangere vrouw en drie kinderen achter: Beatrix of Bietje (1740), Lammert (1743) en Heyltje (1746). Willempje werd geboren in 1749. Bietje trouwde later met Gijsbert Breunisz van den Hove en verhuisde naar de Nieuwe Hooft.

Teuntje bleef niet lang weduwe: in 1750 trouwde zij met Willem Jacobsz. Willem woonde toen al op Bosserdijk en was er dus misschien eerder knecht geweest. Hij was in 1718 te Hoogland geboren als zoon van Jacob Hermsz en Weympje Willems. Zij kregen drie kinderen: Weympje (1750), Willemijn (1753-1796) en Teunis (1755). Willem wordt in 1774 en in 1780 vermeld als schepen van Hoogland. In 1784 verlengde het Kapittel het pachtcontract van Willem Jacobsz, waarbij werd opgemerkt dat hij al enige jaren de pachter was. Hij woonde er immers pas 34 jaar... Het pachtcontract is vrij uitvoerig, maar het bestaat in werkelijkheid uit een standaardtekst; rond 1790 verving het Kapittel deze door voorgedrukte formulieren. Zo werd bedongen dat het land geen ander soort bebouwing mocht krijgen, dat in de wei alleen runderen mochten staan, dat het etgroen (naweiden) niet langer dan oktober mocht duren, dat de pachter in juni en september distels en ander onkruid moest verwijderen en dat greppels en sloten moesten worden op- en uitgehaald. Bosserdijk bestond in 1784 uit een hofstede met twee hooibergen, een wagenschuur, twee schaapshokken en nu zelfs ruim 44 morgen bouw-, hooi- en weilanden, dries- (=braak), turf- en plaggevelden. Willem Jacobsz kreeg het opnieuw in pacht voor zes jaar, een normale termijn. Het land pachtte hij weer met ingang van Sint-Pietersdag (de naamdag van de patroon van de eigenaar, 22 februari). Voor de hoeve gold 1 mei. Het eensgeld (pachtsom) was /310,- plus 140 kapoenen van elk 22 stuivers, totaal dus /450,-.

Daarvoor betaalde het Kapittel wel alle onderhoud en ook het personele morgengeld. De pacht moest zoals gebruikelijk in twee termijnen worden betaald: 's winters de helft van de pacht en alle kapoenen, vóór Kerst de rest. Willem heeft de pacht niet voortgezet tot zijn dood in 1807. Misschien had hij ook geen erfgenamen. Van zijn zoons Lammert en Teunis zijn tenminste geen huwelijken of in Hoogland gedoopte kinderen bekend. In de archieven van het Kapittel was pas in 1805 een nieuw bericht te vinden, en dan gaat het om de verpachting van Bosserdijk, laatst in huur bij Jan Jansz, door Wouter Comelisz Voskuilen. Deze trouwde datzelfde jaar met Christina Jans Tolboom en in 1806 werd hun zoon Cornelis geboren. Wouter was in 1773 geboren als zoon van Cornelis Gijsbertsz Voskuilen (afkomstig van Hamersveld, nu Leusden) en Beatrix Hendriks. Beatrix was zelf een dochter van Hendrik Willemsz en Willempje Lammerts, de vermoedelijke zus van Willem Lammertsz van Bosserdijk, die al in het juninummer ter sprake kwam. Zo bleef Bosserdijk dus toch 'in de familie'. Wouter Voskuilen pachtte 40 morgen in één perceel voor zes jaar tegen /512:10:- per jaar. Als termijnen worden nu St Martinus en Kerstmis genoemd; als de pachter te laat was moest hij guldens van 22 stuiver betalen. Bij het contract hoorde een kaart, maar die is helaas niet bewaard. Niet verhuurd werden 3 à 4 morgen met een huisje en een halve morgen deels met eiken beplant. Het Kapittel kreeg de helft van de opbrengst van het hakhout. 2 1/2 morgen heiveld bij het huis moest weigrond worden en daarvoor moest de huurder 300 voermessie (mest) leveren waarvan hij de helft zelf betaalde. Wouters vader en zijn zwager Willem Jansz Tolboom traden op als borgen.



De boerderij wordt staatsbezit
De Utrechtse kapittels hebben hun leven gerekt tot 1811. Pas Napoleon maakte een eind aan deze feodale instellingen die zichzelf hadden overleefd. Voorlopig werden de goederen beheerd door de Dienst der Domeinen. In het geval van het kapittel van de Sint-Pieterskerk bleef de rentmeester aan als voorlopig administrateur namens Domeinen. Dat was toen Dionijs Oortman, die op de Nieuwegracht in Utrecht woonde. In november van dat jaar kreeg hij opdracht om de landerijen voor een jaar te verpachten. Op 30 december sloot Oortman dan ook een pachtcontract voor 1812 betreffende de goederen van Bosserdijk. De hofstede met opstallen, een morgen land genaamd De Akker (zie bovenstaande tekening) en de tuin werd voor /52,- verpacht aan de al genoemde Willem Jansz Tolboom Het bakhuis met hofje en het kampie van Cornelis Toonen Voskuilen kwamen voor /25,- in gebruik bij de timmerman Gerrit Luttikhengel. Genoemde Voskuilen huurde het Zandkampje (1 morgen), 6 morgen op de Eng, de Del, de Weitmaat (die niet bebouwd mocht worden), het Hoge Hoekje bij De Kolkrijst en het weihoekje daarachter voor in totaal /63,- . Met het Hoge Hoekje werd waarschijnlijk het perceel over de Zevenhuizerstraat bedoeld, op de hoek met de Heisteeg (pastoor Pieckweg), dat te zien is op de kaart in het vorige nummer (pagina 19). Cornelis van de Bogaard, molenaar, huurde 3 morgen op de Eng (grenzend aan dat van Voskuilen) en het Maatkampje, samen /50,-. De Amersfoortse winkelier Klaas Hoefsloot betaalde /22,- voor twee heivelden aan de weg en achter de hokken, dus vlak bij de hoeve. De Duister boer Cornelis Tonen Lodijk tenslotte pachtte 4 morgen in het Grote Nieuweland (waarvan de helft weiland) en 2 morgen weiland in het Kleine Nieuweland voor /55,-. In totaal bracht het goed dus slechts /267,- op.

Later is Bosserdijk voor een periode tot eind 1825 verhuurd aan Albert Hoogkamer, die er al weer /400,- per jaar voor betaalde. In 1818 en 1819 werden echter een wet en een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, op grond waarvan het kapittelland openbaar moest worden verkocht. In 1820 hingen er dan ook aanplakbiljetten in de streek, die de boeren, burgers en buitenlui opriepen naar het Amersfoortse gemeentehuis te komen. Daar zou de ontvanger der Domeinen te Amersfoort het land laten veilen in aanwezigheid van de burgemeester. Het betrof niet alleen Bosserdijk, maar ook percelen in De Slaag, Bunschoten en Stoutenburg.
 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu