1997-4-3 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

1997-4-3

Publicatie's > Ons blad De Bewaarsman
 
 
Recensies
Gerard Raven

Lang hebben we er naar uitgekeken, maar nu is dan de 'Utrecht-bijbel' verschenen: C. Dekker e.a. (red.), Geschiedenis van de provincie Utrecht (3 delen, Het Spectrum/Stichtse Historische Reeks, Utrecht 1997), f 350,-.
Nadat diverse provincies vóór waren gegaan beschikt ook Utrecht nu over een overzichtswerk van formaat, waarin deskundigen hun specialismen hebben overstegen om tot een leesbaar en samenhangend geheel te komen. Bovendien geven die specialisten geregeld informatie die niet eerder gepubliceerd is. Voor ieder die meer over de Utrechtse geschiedenis wil weten dan zijn eigen woonplaats is dit daarom een ware schat aan informatie. Wie voortaan een artikel over een stukje Utrechtse lokale geschiedenis wil schrijven doet er verstandig aan om eerst eens in dit boek te kijken, want hier wordt het regionale en provinciale kader al aangereikt. Een belangrijke doelstelling van de redactie was de eenzijdige aandacht voor de stad Utrecht uit vroegere publicaties te vermijden. Daarom is er nu veel te vinden over de kleinere Utrechtse steden en over de dorpen. Het eerste deel begint met het ontstaan van het landschap in de prehistorie. De drie delen zijn begrensd door de jaartallen 1528 en 1780. Het geheel wordt afgesloten met een beredeneerde bibliografie en een uitstekend register.

Hoewel dit boek er niet voor bedoeld is heb ik toch eens gekeken wat er met dit register over Hooglandse polders en buurtschappen en over de regio Eemland te vinden was. Ik vond heel wat vermeldingen, die vaak eerder gepubliceerde informatie betroffen, maar hier in breder perspectief gepast zijn. Vergeleken met andere regio’s zijn over Eemland overigens relatief veel bronnen bewaard gebleven. In Hoogland worden de eng en de Malen graag als bijzondere verschijnselen gezien, maar men komt ze natuurlijk op veel plaatsen elders in de provincie tegen. Het oudst bekende markegenootschap is van Maarn-Maarsbergen (1134/'39); later in die eeuw volgden de Malen van Wede en Emiclaer en van Coelhorst. De tweede golf van ontginningen na 1170 stond evenmin op zichzelf; ook buiten Eemland was men actief. Nieuw voor mij was dat de schepenbanken van Duist en De Haar (1356) en Zeldert(1422) vrij vroeg zijn opgericht, net als in Eembrugge, Bunschoten, Soest en Leusden. Voor 1500 zijn er in de Utrechtse dorpen maar twaalf te tellen, waarvan dus de helft in Eemland. Het is niet duidelijk waarom elders het burengerecht bleef bestaan.

Vergeleken met andere regio's vormde Eemland een goede economische eenheid.
Stad en platteland liepen door de intensieve contacten vloeiend in elkaar over. Zo woonden niet alleen veel boeren in de stad maar ook burgers op het platteland, ondanks het bisschoppelijk verbod op de buitenburgerij.
Het rampjaar 1514 zouden we nog wel eens wat beter kunnen onderzoeken. 43 Hooglandse boerderijen werden verbrand door een dolle ridder en zijn mannen en er had een enorme overstroming plaats. Voor beide feiten zou men de 'schuld' in Amersfoort kunnen zoeken, omdat de ridder daar geld tegoed had en een betere afwatering werd getraineerd door Amersfoortse regenten met veel grondbezit. Treffend is het bericht uit 1803 dat de gemeente Hoogland haar Malen was vergeten. Maar ook elders leidden zulke markegenootschappen een sluimerend bestaan: Duist, Baarn en vier andere dorpen overkwam hetzelfde. Met de wet van 1886 zijn de meeste marken ook daadwerkelijk verdwenen; de Malen van Hoogland bleven alleen bestaan omdat het grondbezit allang ontgonnen was.

Verhelderend zijn passages over de opkomst van de banken en coöperaties en de
ruilverkavelingen van 1938-'51 en vanaf 1988. En wie had paraat dat er op maandag in Hoogland mocht worden gebedeld en op donderdag in Amersfoort? Of dat Henricus van de Wetering in 1895 de eerste aartsbisschop van Utrecht was die uit de eigen geestelijkheid voortkwam? Een ontnuchterend gegeven is dat Eemland tot voor kort de dunst bevolkte regio van Utrecht was. Dat geeft ander licht op het feit dat de Provincie Hoogland begin jaren '60 als groeikern aanwees. De annexatie van het dorp heeft in de trilogie geen aparte plaats kunnen krijgen, omdat dit op provinciaal niveau geen echt opmerkelijke gebeurtenis was. Voor de Provincie was samenvoeging van gemeenten immers een bewust streven. Bij de Gemeentewet van 1857 werden er al 33 gecombineerd (velen zullen weten dat in 1846 al de gemeente Duist, De Haar en Zevenhuizen bij Hoogland was gevoegd). Tussen 1950 en 1990 daalde het aantal Utrechtse gemeenten verder van 65 naar 38. Voor Hoogland was er geen ontkomen aan deze bestuurlijke ontwikkeling.

D.H. Kok, S.G. van Dockum en F. Vogelzang, Archeologische kroniek provincie
Utrecht 1990-1991 (Utrecht 1997) is een van de deeltjes uit het inhaalproject van archeologische jaarverslagen, waarover eerder in dit blad is bericht. Leden van de Historische Kring Hoogland kunnen zich voor slechts 15,- per deel inschrijven bij de secretaris. Er staan korte verslagen in van opgravingen aan de Hoveniersweg, in Kattenbroek (zgn. Hapshuizen, Midden-IJzertijd), Nieuwland (vuurstenen werktuigen en afslagen, Midden-Steentijd) en aan het Zocherpad (crematieveld met verkoolde eikeltjes, Late IJzertijd, te zien in Museum Flehite).In de Archeologische kroniek 1992-1993 worden alleen opgravingen in Kattenbroek en Nieuwland gemeld die nauwelijks iets opleverden.

Nellie van Vulpen was ditmaal niet in de gelegenheid om boeken te bespreken, maar bericht in het volgende nummer over het jubileumboek van de Rabobank Hoogland: Ph. Maarschalkerweerd e.a., Door de Bank genomen. Hoogland 1896-1996
(Hoogland 1997). Hieraan hebben verschillende leden van onze vereniging een bij-
drage geleverd. Nu al kan gesteld worden dat dit boek een must is voor elke liefhebber van de Hooglandse geschiedenis. Het is jammer dat een register ontbreekt, omdat de opzet strikt chronologisch is. Het boek is voor 125,- te verkrijgen bij de Rabobank, Kerklaan 4-6.
 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu