2000 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2000

Publicatie's > Boekbesprekingen
 
 
 
 
Uit 2000-1
Gerard Raven
A. Lindeman, Genealogie van het geslacht Pommer (eigen beheer, Utrecht 1999) 388 pp, naamregister. Uitverkocht (wel in te zien op het Gemeentearchief Amersfoort).
25 jaar naspeuringen van ons lid Gerard Pommer en twee andere onderzoekers hebben geleid tot deze indrukwekkend complete 'aangeklede' genealogie. De stamvader is waarschijnlijk Jan Bommer, die ca 1630/50 in Duitsland werd geboren. De eerste Nederlandse Pommer was Hans Jarich, geboren in 1671 en in 1702 te Bredevoort gehuwd met Anna Geertruid Vos of Wolters. Hun kleinzoon Joan Adolph werd in 1784 nog in Bredevoort geboren, maar trouwde in 1810 in de katholieke kerk van Hoogland met Elisabeth ten Have. Sindsdien hebben vele Pommers aan het Hooglandse dorpsleven een bijdrage geleverd.

J.H.M. Hilhorst, 'De Oude Hoef of de Tijnshof van de Sint-Paulusabdij te Emiclaer', Flehite 26 (1999) 38-41. 17,50 bij Museum Flehite.
Gijs Hilhorst heeft over Emiclaer een uitgebreide studie gepubliceerd, 'Emiclaer' van heerlijckheid tot stad (Amersfoort 1993). Het artikel van zijn naamgenoot Jan Hilhorst is hierop een belangrijke aanvulling, die nieuwe inzichten biedt op grond van de archieven van de Paulusabdij. De auteur heeft een nogal wetenschappelijke schrijfstijl en veronderstelt de historische begrippen bekend, wat de leesbaarheid van zijn verhaal niet ten goede komt. Toch is het zeer de moeite waard.
De grote verdienste van dit artikel is dat hiermee de kluwen van alles wat Emiclaer heette verder ontward wordt. Hilhorst maakt duidelijk dat in het gerecht Emiclaer (een leen van de familie Van Lokhorst) de gelijknamige tijnshof van de Paulusabdij lag, die in 1254 voor het eerst wordt vermeld. Hier werd de tijns (een belasting) in natura geïnd van landerijen in het tegenwoordige Hoogland, Bunschoten en (blijkens een akte van 1468) zelfs Soest.
De tijnshof was echter ook zelf weer in pacht gegeven en bestond uit een groot stuk land dat gelijk werd gesteld met twee hoeven. In 1325 noemde men dit Lilaar. Hilhorst ïdentificeert dit als de Oude en de Nieuwe Hoef. De Nieuwe Hoef wordt pas in 1557 voor het eerst vermeld: de auteur veronderstelt dat deze is ontstaan bij de splitsing van het eigendom tussen 1543 en 1550. De tiende (een andere belasting) op de beide abtshoeven bedroeg rond 1430 42 Utrechtse mud rogge; de hele oogst was dus 420 mud. In 1541 was dit bedrag nog precies hetzelfde, maar bleek dat daarnaast een pacht van 71 mud Amersfoorts (x 1,48 = 105 mud Utrechts) bestond. Hilhorst heeft een foto van de Oude Hoef opgenomen, een nogal beschadigde versie van het gave exemplaar dat onlangs is ontdekt en gepubliceerd in Focus op Amersfoort. Tenslotte bestond er ook nog de malenhoeve Emiclaer, die door Hilhorst wordt vereenzelvigd met het huidige Groot-Emiciaer. Deze hoeve was ook tiendplichtig aan de abdij. Eerder veronderstelden de stadsarcheologen dat de resten van de tijnshof onder Groot-Emiciaer lagen, maar het feit dat onder de Oude Hoef vondsten uit de 8e tot 13e eeuw zijn gedaan lijkt Hilhorsts stelling te bevestigen. Deze oude vondsten lijken er volgens hem op te duiden dat ook de tijnshof al vóór de stichting van de Paulusabdij in 1006 bestond en toen dus in dienst stond van de bisschop van Utrecht. Mijns inziens wordt dit bevestigd door het feit dat de tijns werd geïnd op Sint-Willibrordsdag en niet op Sint Paulus.
Nu de verwarring over Emiciaer is opgelost kan ik een nieuw probleem opwerpen. Zelf heb ik in het archief van het kapittel van Sint-Pieter stukken (no 427 en 649) gevonden over de erftijns van een kwart van het goed Emiclaer in de periode 1550­'99. Dit was dus eigendom van het kapittel en niet van de abdij. Welk Emiclaer is daarmee nu weer bedoeld? Niet Groot-Emiclaer, in 1591 in bezit van Johan van Oldenbarnevelt, noch de Oude en Nieuwe Hoef, die toen gewoon nog bij de Paulusabdij hoorden. In 1550 was de pachter Willem Zoist van Wetering, burger van Amersfoort, die de pacht had geërfd van zijn overleden vader Thomas Zoist. In 1595 was dit Cornelis Tonisz, ook burger van Amersfoort, en in 1599 Willem Thomasz van Grede. Ik houd me aanbevolen voor suggesties.
O. Dekkers, 'Onbegaanbare wegen', Bun Historiae l20 (1999) 76-81 (aanwezig in onze collectie)
Niet alleen in Hoogland was er vroeger wegenmisère. De archivaris van onze zustervereniging heeft vier voorbeelden verzameld, waarvan er twee ook de Hooglanders aangingen. In 1596 kreeg de Neerweg (nu Amersfoortseweg, een verband dat de auteur niet legt) tussen Duist en Bunschoten een draaiboom, om te voorkomen dat karren de zandweg verder kapotreden bij aanhoudende regen. Voetgangers en losse paarden mochten overigens wel door. Ruim twee eeuwen later was er aan deze praktijk nog niets veranderd. Zelfs de Amersfoortseweg /Bunschoterweg kon bij slecht weer niet bereden worden; men voerde de vis, graan en andere vrachten dan per boot aan over de wetering langs de weg van Bunschoten tot de Hogenaard en laadde ze vervolgens over op een kar. Pas in 1839 is deze weg verhard en was het leed geleden, maar niet op de vele secundaire wegen.

De Kroniek. Nieuwsbrief historisch Amersfoort
Het tijdschrift Flehite is opgevolgd door een nieuwsbrief en een nog te verschijnen jaarboek. De nieuwsbrief verschijnt driemaal per jaar. Het is een lofwaardig samenwerkingsverband, waarbij nu niet alleen de Oudheidkundige Vereniging Flehite en Museum Flehite meedoen, maar ook de Sectie Archeologie van de gemeente Amersfoort en de Gemeentelijke Archiefdienst. Alleen de Nieuwsbrief Monumentenzorg en Archeologie Amersfoort blijft apart verschijnen. De Kroniek biedt ruimte voor berichten over de archieven, tentoonstellingen, museumaanwinsten, bodemvondsten, lezingen, cursusssen, excursies en boekbesprekingen. In de eerste twee nummers staat bijvoorbeeld nieuws over het eerste archeologisch onderzoek in Vathorst; omdat er nogal wat zandafgravingen zijn geweest heeft men alleen de diepe sporen kunnen terugvinden, met wat stukjes vuursteen uit de Midden-Steentijd. Het Archiefbericht over een project om de transportregisters vanaf 1742 toegankelijk te maken en over de schenking van een kasboek van Groot Weede uit 1787-'91, waarover Dirk Steenbeek volgend jaar een artikel in De Bewaarsman hoopt te publiceren. Men kan zich abonneren door lid te worden van de Oudheidkundige Vereniging Flehite, telefoon (033) 4619987 (mw B. Berkhof). Voor 145,- ontvangt u dan de Kroniek en in de toekomst ook het jaarboek en heeft u gratis toegang tot de lezingen.

Terugblik Amersfoort Hoogland. Twee videobanden (Doomveld media, Leersum 1999) van elk 45 min à fl. 47,50 in de boekhandel en bij Museum Flehite.
Het is verrassend te ontdekken dat er nog Amersfoortse filmbeelden van ca 1920 blijken te bestaan, toen een cameraman de straten in de binnenstad doorliep om het ontroerende dagelijkse leven vast te leggen, vol wandelaars, wiebelende fietsers, paarden en enkele auto's. Deel 1 heet Oorsprong-1940 en brengt ook andere filmbeelden uit de jaren twintig en dertig, maar deze betreffen helaas vooral parades en ceremonies. Verder is de geschiedenis vanaf ca 1050 geïllustreerd met talloze statische beelden uit het Gemeentearchief, Museum Flehite en particuliere bron. De technische afwerking van de band is niet altijd professioneel, maar voor huiskamergebruik hoeft dat geen bezwaar te zijn.
Hoogland komt maar incidenteel in beeld: naast een gravure van de kapel van Coelhorst enkele bewegende beelden van boerenwerkzaamheden en koeien in de wei (na ca 8 en 19 minuten) Deze laatste lijken uit de jaren dertig te dateren. maar zouden ook uit de bekende film met leuke dorpstaferelen uit de jaren vijftig kunnen komen. waarvan drie minuten gebruikt zijn voor de de tweede band 1940-2000 (na 10 en 17 minuten). Een ritje op de Zevenhuizerstraat en een straatdiscussie in Amersfoort over de annexatie luiden na 21 minuten de groeistadscènes in. Daarna volgen recente filmbeelden van de Paardensportdag, Nieuwland, de vuilstort en Vathorst.

J. Verduin, Boerderijen in Leusden in de Middeleeuwen (Bureau voor Familiehistorie Woudenberg/Historische Kring Leusden 1999) 130 pp. Uitverkocht (aanwezig in onze collectie).
In het vorige nummer werd dit boek al aangekondigd; nu kon het ook worden ingezien. De auteur heeft niets teveel beloofd; het is een schatkist vol informatie die voortaan als inleiding kan gelden voor elk vroeg boerderijonderzoek in de omgeving. Jan Verduin legt uit hoe de individuele en de latere collectieve ontginningen tot stand kwamen, hoe de middeleeuwse agrarische maatschappij was georganiseerd en hoe hij de belastingregisters heeft gebruikt. Op grond van verkaveling en belastingsoorten komt hij tot vrij nauwkeurige dateringen van de verschillende nederzettingen. Vervolgens worden de boerderijen niet afzonderlijk, maar per buurtschap behandeld. Verduin weet de ingewikkelde materie helder te presenteren door het gebruik van kaarten, opmaak, toelichtingen en samenvattingen.
De auteur publiceerde eerder de kadastrale atlas van 1832 en het oudschildgeld 1536-1806 en kwam zo als vanzelf op de vroegere geschiedenis. Dit verklaart waarom zijn verhaal zo sterk leunt op de belasting van 1536; hopelijk komt hij nu aan oudere bronnen als de morgengelden toe. Het zou een droom zijn als er ooit eens zo'n boek van Hoogland kan verschijnen. Tot dan, kunnen we hiermee al veel doen!

R. Vroon-Roubos, De Grebbelinie. Monumentaal groen in de gemeente Leusden (gemeente Leusden 1999) 35 pp. Nog enkele gratis exemplaren bij de afdeling Voorlichting van de gemeente Leusden (ook aanwezig in onze collectie).
De Grebbelinie is bij veel oudere Hooglanders bekend van de uitgebreide verdedigingswerken die de Nederlandse en Duitse legers in 1939-'45 aanlegden. In Hoogland en Amersfoort is er weinig meer van te zien, maar in Leusden des te meer. Niet iedereen zal weten dat de verdedigingslinie al in 1629 is ontstaan, toen Spaanse troepen Amersfoort wisten in te nemen en de omgeving plunderden. De boeren die in allerijl aan het graven waren gezet hadden hun werk niet goed afkunnen maken, maar in de 18e eeuw gebeurde dit alsnog. In Hoogland werden drie inundatiegebieden aangelegd: de Glashut-, Koelhorster- en Vuydijkkom. Sindsdien is de linie geregeld gemoderniseerd. In 1951 werden de laatste vestingwerken opgeheven. Nu is alleen de schans bij de Oude Hamseweg nog in beheer bij de Provincie; het is een weinig indrukwekkend geheel. Is het de moeite waard hier eens te gaan kijken en/of onderzoek naar te doen, nu de herdenking van 55 jaar bevrijding in aantocht is? Hiervoor is dit boekje een boeiende inleiding.

R.l. van der Maal en Y. van den Akker (red.), Van Baerne tot Baarn (Baarn 1999), 304 pp, /39,95. Te bestellen door dit bedrag en f7,50 verzendkosten over te maken op Postbank 4 192 133 tnv penningmeester Historische Kring Baerne.
Onze zustervereniging viert haar zilveren jubileum met een fraai vormgegeven jubileumbundel met 40 artikelen en een handig register. De beste bijdragen uit het tijdschrift Baerne zijn herschreven, terwijl ook een aantal nieuwe artikelen is opgenomen. Daarvoor heeft de vereniging ook enkele landelijk bekende schrijvers weten aan te trekken, zoals Thera Coppens, Wim Hazeu, Fred Lammers en Harry Prick. Een bundel is uit de aard der zaak geen samenhangend geheel, vandaar dat met name in het eerste deel over de ontwikkeling van de plaats Baarn veel lacunes vallen. De andere delen over huizen en plaatsen, groepen en verenigingen en personen zullen velen aanspreken door de concrete verhalen en vele opgetekende herinneringen. Goed vergelijkingsmateriaal met Hoogland, maar het veel agrarischer buurdorp is daarbij niet in beeld. Interessant zijn bijvoorbeeld artikelen over de volkstelling van 1829 en de samenstelling van de gemeenteraad in 1848-'85.

Heel waardevol vind ik het artikel van Th.J. Cley, Baarn in de Middeleeuwen. Een historisch/archeologisch-geografische studie (pp 22-30). Dit is een eerste overzicht van de ontstaansgeschiedenis van Baarn op grond van recent onderzoek in verschillende disciplines. De auteur maakte hiervoor drie nieuwe kaarten van de hooggelegen zandplaat Gooi-Heuvelrug. Hier lagen de dorpen die al vóór of in de 10e eeuw bestonden, zoals Lage Vuursche, Hees en Oud-Leusden; van hieruit gingen de kolonisten naar Soest, Amersfoort en Hoogland (dat niet wordt genoemd), terwijl de ontginning van Baarn in de 11e eeuw wordt gedateerd.

M. Mijnssen-Dutilh, Verzamelde inventarissen van de archieven van de dijk- en polderbesturen onder Eemnes 1681-1864 (1895) ([AmersfoortJ 1999) 320 pp, f20,­bij het Gemeentearchief Amersfoort.
In het vorige nummer zijn vijf bundels inventarissen van de waterschapsarchivaris besproken. Met de zesde is de serie compleet en kan Margriet Mijnssen terugkijken op een titanenklus. Liefst 30 archieven die de periode van de 16e eeuw tot 1972 bestrijken zijn nu ontsloten en voorzien van uitgebreide inleidingen en overzichten. Terecht verscheen daarom een aantrekkelijke brochure, die gratis te verkrijgen is op het Gemeentearchief en bij de recensent. De inventarisdelen kunnen ook worden opgestuurd (/2,- per deel porti) door het waterschap Vallei & Eem. (033) 434 60 00.

Uit 2000-3

C. Meslier en A. Salverda, Vathorst. Portret van een landschap (OntwikkelingsbedrijfVathorst, Amersfoort 2000) ongepagineerd, 149,95
Op initiatief van het Gemeentearchief Amersfoort heeft het Ontwikkelingsbedrijf Vathorst Beheer bv aan Conny Meslier de opdracht gegeven een fotoserie te maken van het gebied Vathorst. Ago Salverda heeft bewoners geïnterviewd. Dit zijn de twee bestanddelen van het boek.
Het is vlot geschreven en is het bezit zeker waard. Jammer dat het door de schittering van het goudkleurige papier soms moeilijk te lezen is. De foto's zijn van prima kwaliteit. Misschien geven ze niet precies het beeld dat bij Vathorst behoort weer, maar dat komt doordat ze zijn gemaakt in een periode dat de afbraak al begonnen was. De romantiek viert al een beetje hoogtij. Wij en ons nageslacht zullen er met vreugde in bladeren. Toch blijft men denken 'Waar bleef Hoogland, waar ging het heen!' Gijs Hilhorst

I. Hagen, Vragen over vroeger. Handleiding voor het maken van historische interviews (Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Utrecht [1998]) 44p, 119,50 Deze handleiding is goed leesbaar. De auteur geeft duidelijk aan waar je op moet letten, zoals: - het tot stand komen van het interview: is het geheugen van betrokkene betrouwbaar? - het onderwerp: welke vragen zijn ter zake en wie kan daarop de juiste antwoorden geven? - de persoon: hoe zou deze reageren op vragen die op het persoonlijke vlak liggen en waarbij emotionaliteit een rol kan spelen? - het vastleggen: analoge en digitale opnametechnieken en het bewaren, toegankelijk maken en publiceren van het interview.
Dit boekje is derhalve zeer bruikbaar voor ieder die in Hoogland historische vraaggesprekken wil voeren. Paul Jansen

H.L.Ph. Leeuwenberg, Kerk in zicht. Gids voor lokaal kerkhistorisch onderzoek in de provincie Utrecht (Trajecten door Utrecht 3, Utrecht 2000) 64 pp, f 10,-

A. Pietersma en F. Vogelzang, Levensverhalen. Gids voor biografisch onderzoek in de provincie Utrecht (Trajecten door Utrecht 4, Utrecht 2000) 64 pp, f 10,-
Het Utrechts Archief en Stichting Stichtse Geschiedenis hebben eerder de gidsen Huizen vol historie en Van aver tot aver uitgegeven, die een hulp zijn bij lokaal huizen- en genealogisch onderzoek. De nieuwe handleidingen zouden de auteurs van de Utrechtse biografieën goede diensten hebben kunnen bewijzen. Natuurlijk zijn er inleidingen met de noodzakelijke basisinformatie, literatuurverwijzingen en handige adreslijsten. Het aardige is dat de gidsen bovendien vol concrete voorbeelden zitten: gegevens en illustraties van de kerken van Zeist en van de rentenier Willem Jan Both Hendriksen (1780-1853) maken de problematiek van het onderzoek zo veel inzichtelijker. Een must voor elke onderzoeker! Gerard Raven

T. Blekkenhorst, Behoud het beeld. Leidraad voor herbestemming van agrarische gebouwen (Utrecht [2000]) 60 pp, verkrijgbaar bij de Federatie Stichts Cultureel Erfgoed, (030) 234 38 80 voor f 25,- plus verzendkosten (voor boerderijbewoners in de provincie Utrecht gratis)
De eerste lezing voor de Historische Kring Hoogland werd in 1995 gehouden door provinciaal consulent Tom Blekkenhorst, die ook voor de Boerderijenstichting Utrecht werkt. Hij uitte toen al zijn wensen voor het behoud of herstel van opstallen en erven als een boerderij wordt verbouwd tot woning of bedrijf. Deze ideeën zijn nu samengevat in een aardig boekje, waarin zelfs kleurgebruik en de plaats van nieuwe schuren aan de orde komen. Gerard Raven

Uit 2000-4Gerard Raven
Oud-Nijkerk
De Stichting Oud-Nijkerk is zo ongeveer de laatste zuster met wie wij een ruilabonnement konden aangaan. De jaargangen van het gelijknamige tijdschrift
zijn nu vanaf 1998 op het clubhuis in te zien. Oud-Nijkerk is in haar 1ge jaargang en bevat veel artikelen met soortgelijk historisch 'nieuws' als De Bewaarsman. Zo bracht men een Nijkerks woordenboek uit en verschenen er artikelen over tabaksplanters in 1813, de oorlogsschade van mei '40 en mei '45 en molens.
Heel boeiend vond ik zelf een bijdrage over de cholera-epidemie van 1849, die mede het gevolg was van armoede en ondervoeding en achtereenvolgens alle arme wijken afreisde. Kennelijk maakte zo'n ramp toch veel indruk bij de bovenklasse, want rond die tijd zijn verschillende charitatieve instellingen ontstaan. (Over de cholera in Hoogland kan men lezen in De Bewaarsman van januari 1999.)
In het tijdschrift vond ik verder enkele voorbeelden ter navolging. Wij waren al van plan om foto's van schoolklassen en dergelijke en een verhaal in dialect te publiceren, maar een serie over gevelstenen met hun achtergrond is zeker ook een leuk idee.
Inmiddels hebben wij met onze Nijkerkse collega's al heel aardige gegevens uitgewisseld en dingen voor elkaar uitgezocht. Een interessante suggestie van hun kant is dat de familie Van Kouwenhoven en de gelijknamige boerderij oorspronkelijk van de Nijkerkse boerderij Kouwenhoven kunnen zijn gekomen. In het artikel over Kouwenhoven bleken er inderdaad al veel connecties met Nijkerk te zijn!
Met 1000 donateurs en 20 jaar bestaan heeft de Stichting Oud-Nijkerk voldoende armslag voor een fraaie vormgeving van het tijdschrift. In 1998 is tevens een nieuw onderkomen betrokken van 350m2, compleet met collectiedepot en etalage. Daar kunnen wij voorlopig alleen nog van dromen, maar wie weet, over vijftien jaar? Het donateurschap van de Stichting Oud-Nijkerk kost minimaal /20: H.D. Buitenwerf, telefoon (033) 245 24 84.

. de Graaf en C. Gijsen, Dit onbebouwd en onnut land. Hoevelaken toen & nu (Gemeente Hoevelaken en Stichting Historisch Hoeflake 1999) 96 pp, uitverkocht. Wij blijven nog even in de gemeente Nijkerk, die per 1 januari 2000 ook Hoevelaken omvat. Ter gelegenheid van de fusie kregen alle Hoevelakers gratis dit boekje aangeboden. De titel slaat terug op de omschrijving in een akte uit 1132, waarin de bisschop van Utrecht het land uitgaf voor ontginning. Ben de Graaf bundelde hierin zijn artikelenserie in het Hoevelakens Nieuwsblad, journalistiek opgezet maar vol historische achtergronden. Ook zijn er enkele nieuwe bijdragen. Carel Gijsen maakte bij de historische foto's uit de collectie van Hoeflake steeds de actuele tegenhanger, net als in Focus op Amersfoort is gebeurd. Het geheel is aantrekkelijk vormgegeven en leest prima.
Heel aardig is bijvoorbeeld het artikel over ds Gerardus Geytenbeek, die in 1730 werd afgezet wegens dronkenschap en het onteren van zijn dienstbode. Dit doet denken aan zijn Hooglandse tijdgenoot pastoor Ram, die om andere redenen ook aanleiding gaf tot partijstrijd tussen de kerkgangers maar uiteindelijk kon blijven. De meeste bijdragen gaan overigens niet over mensen maar over boerderijen en andere gebouwen.
Het bundelen van krantenartikelen is altijd dankbaar werk, maar (zo schrijft de Stichting Historisch Hoeflake) is meer een sfeertekening dan dat het historisch correct en volledig is. Zo'n voorbehoud is begrijpelijk, maar een historische stichting moet mijns inziens juist wél voor die juistheid instaan. Daarnaast kan men de lezers altijd uitnodigen correcties in te leveren die later alsnog gepubliceerd worden. In dit geval is Hoeflake gewoon te bescheiden geweest, want men heeft wel degelijk een deskundige geraadpleegd: Aart Veldhuizen.

Flehite. Historisch jaarboek voor Amersfoort en omstreken 2000 (Bekking, Amersfoort 2000) 158 pp. Gratis voor de leden van de Oudheidkundige Vereniging Flehite (f45 per jaar, (033) 461 9987)
Als opvolger van het tijdschrift Flehite verscheen vorig jaar De Kroniek, besproken in De Bewaarsman van januari jl. pagina 11. Deze heeft een duidelijk luchtiger karakter, wat mogelijk werd doordat voor het meer wetenschappelijke werk een nieuw jaarboek zou komen. Daarvan is nu het eerste deel verschenen. Het heeft een gevarieerde inhoud. De artikelen betreffen bijvoorbeeld de middeleeuwse armenzorg, de waterpoort Monnikendam en het prostitutiebeleid 1861-1911, waarbij alleen het commentaar gegeven kan worden dat de 'omstreken' nog niet aan bod komen. Verder vaste rubrieken als restauraties en opgravingen (helaas nog beperkt tot de binnenstad), een handig literatuuroverzicht dat wél regionaal is opgezet en vier recensies. Een goed begin!

S. Barends e.a. (red.), Het Nederlandse landschap. Een historisch- geografische benadering (Matrijs, Utrecht 20008) 168 pp, 134,95
Dit boek is ingedeeld naar de verschillende grondsoorten, waaronder zand en veen, maar de auteurs besteden ook aandacht aan menselijk ingrijpen door de polders en stedenbouw. De snelle veranderingen en verstedelijking blijken alleen al uit de geregelde herzieningen van dit boek, dat in 1986 voor het eerst verscheen. De auteurs zijn docenten aardrijkskunde, die het gebruiken als examenstof in het voortgezet onderwijs. Het biedt een breder kader voor wie studie maakt van de invloed van het landschap op de dorps geschiedenis. Zo blijken de grotere Nederlandse dekzandruggen overal al in de ijzertijd of vroege middeleeuwen bewoond te zijn geweest. De wegen slingeren omdat deze de hoge punten verbinden. De oudste akkers liggen dan ook op de eng, nog geaccentueerd door de ophoging als gevolg van plaggenbemesting. Juist dit soort overeenkomsten geven een beter begrip van de dwingende natuur waar de Hooglandse boer vanouds mee te maken had.

Een zeer oud en voornaam college. Geschiedenis van de malen op het Hoogland buiten Amersfoort, door C. Dekker (Amersfoort 2000). 135 pp, 129,90.
Dr C. Dekker heeft op een voortreffelijke wijze de ontginning en verdere ontwikkeling van het Hogeland onderzocht en beschreven. In het bijzonder de bijdragen van het College van de Malen hieraan. Omdat het Hogeland een landstreek was zonder huis of dorpskern is de ontginning tot stand gekomen door de bevolking die er woonde. Hieruit zijn de Malen ontstaan. Het waren de eigenaars-bewoners van reeds bestaande boerderijen die de verdere ontginning van het gebied, voor die tijd, zeer gestructureerd ter hand namen en de nog woeste gronden samen beheerden.
Het boek gaat ver terug in de geschiedenis en het blijft moeilijk de werkwijze met zijn achterliggende gedachten van toen te achterhalen. Daarom is de beschrijving hier en daar wat wetenschappelijk zijn. Wel blijkt Dekker veel kennis te hebben van de plaatselijke omgeving.
Dit is een fraai boek, dat een goed beeld geeft van het oorspronkelijke Hoogland met zijn oudste boerderijen en het grondgebruik daarvan. Met kennis van zaken weet Dekker oude namen van boerderijen en velden te lokaliseren. Veel is nu verdwenen of niet meer herkenbaar. Daarom is het boek verrijkt met veel kaarten en afbeeldingen die ons terugbrengen in het verleden. Voor wie zich wil verdiepen in de geschiedenis van Hoogland is dit boek bijna een must. Voor wie denkt dat hij veel weet is het een prachtige aanvulling. De malenhoeven zijn: Boelenhoef, Bosserdijk, Emiclaer, de Hoef, Groot Liendert, Groot Weede, Groot Weerhorst, Kattenbroek, Klein Emiclaer, Klein Liendert, Klein Weede, Klein Weerhorst, Langenoord, Lutteke Weede, Nieuwe Hoef, Oude Hoef, Schoonoord, Zielhorst Gijs Hilhorst





 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu