2001 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2001

Publicatie's > Boekbesprekingen
 
 
 
 
Uit 2001-1
Gerard Raven

D.J.K. Zweers, Waardestelling objecten van landelijke bouwkunst ten behoeve van het uitbreidingsplan "Vathorst" binnen de gemeente Amersfoort (intern rapport, Amersfoort 1996) 33 pp. Fotokopie in collectie Historische Kring Hoogland. Onlangs kreeg ik inzage in een intern rapport van de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Amersfoort, dat ik voor onze kring mocht kopiëren. Monumentenzorg gaf in 1996 opdracht aan een bouwhistoricus en restauratiebouwkundige om in enkele dagen een inventarisatie te maken van boerderijen en woonhuizen in Vathorst die in aanmerking kwamen voor behoud. Bij de bouw van de wijk kon daar dan rekening mee worden gehouden.
Het ging Zweers om een gaaf, harmonisch uiterlijk, niet om hoogstaande architectuur. De landelijke bouw is daar niet voor bedoeld en bovendien had Monumentenzorg daar zelf al bij een eerdere inventarisatie op gelet. De adressen en waardering van die 13 panden staan in de monumentenlijst, gepubliceerd in M. Cramer en M. Krauwer (red.), Amersfoort goed bekeken (Amersfoort 1993) 162-178. Deze is in het rapport van Zweers overgenomen. Daarbij werden maximaal twee sterren toegekend.
Zweers heeft 26 adressen beschreven, compleet met foto en waardering als monument. Daarvan kregen er drie drie sterren, wat staat voor 'van bijzonder belang, bescherming en behoud beslist noodzakelijk'. Dit zijn Heideweg 85 (Vathorst, 17e-1ge eeuw), Koekoekerweg 1 (De Koekoek, 18e eeuw-1875) en Veenweg 25­25a (zonder naam, 1875/1925). Gelukkig zijn er intussen meer panden aangewezen voor behoud dan dat drietal.

C.].C. Broer, Uniek in de stad. De oudste geschiedenis van de kloostergemeenschap op de Hohorst bij Amersfoort, sinds 1050 de Sint-Paulusabdij in Utrecht: haar plaats binnen de Utrechtse kerk en de ontwikkeling van haar goederen bezit (ca 1000-ca 1200) (proefschrift Universiteit van Amsterdam; uitgave in eigen beheer, Utrecht 2000). 640 pp, ISBN 90 805772 1 9, f 90 incl. porti (giro 4 041 432 van de auteur).
De geschiedschrijving van middeleeuws Hoogland is in korte tijd met sprongen vooruit gegaan. In de twee boeken van C. Dekker en M. Mijnssen-Dutilh (zie dit blad 1996 pp 14-15 en 2000 pp 106-107) waren de polders (de Eemlandse leege landen) en de Malen de invalshoek, nu is het de belangrijkste grondeigenaar. Opnieuw is het verbluffend hoe de oudste geschiedenis gereconstrueerd kan worden zonder dat er veel bronnen van die tijd over zijn, maar gelukkig kun je aan de hand van latere stukken en door vergelijking met ontwikkelingen elders heel aannemelijke theorieën opbouwen.
De eerste boerderij vondsten in Hoogland dateren van de 8e eeuw. Lotty Broer betoogt dat er in ieder geval al in de 10e eeuw ontginningen zijn ondernomen vanuit Soest. Heel interessant is het verband dat zij legt tussen de vijftien malenhoeven en het even grote aantal abdijhoeven in Soest. Het lijkt alsof de ontginning daar gespiegeld is naar Hoogland: de Soester boeren verdeelden het woeste gebied dus onderling. Soest en Hoogland waren in de ogen van de abdij immers één groot exploitatiecomplex, tot in de 12e eeuw de Malen en afzonderlijke Hooglandse gerechten ontstonden. Broer wist bij haar promotie duidelijk te maken dat dit veel meer voor de hand ligt dan ontginning vanuit de Hohorst. Mijn bedenking daarbij is slechts dat die gespiegelde verdeling niet is gevonden voor Coelhorst. Dit gebied (ook oorspronkelijke abdijgronden) ligt immers tussen Soest en Emiclaer in en zou dan dus nog eerder in cultuur gebracht moeten zijn.
Tussen 995 en 1026 hebben twee bisschoppen de nieuwe abdij Hohorst op de Heiligenberg in Leusden fikse schenkingen gedaan om in het onderhoud van de monniken te voorzien en tegelijk de ontginning te stimuleren. Eemland was zelfs het kerngebied van de kloostergoederen, die vooral sterk vertegenwoordigd waren in Hoogland, en bleef dat ook later. Het al ontgonnen land is langzaam maar zeker uitgebreid naar het noorden, waarbij opnieuw de omvang van de deelnemende hoeven werd gespiegeld in de grootte van de verdeelde slagen. Vanaf 1100 gebeurde dat ook in Zeldert, Duist-Langerijs, Calveen en mogelijk al Nieuwland, vanaf 1150 in Boven- en Neerduist. Zo ontstond een zeer rijke bron van inkomsten, die vanaf 1100/1150 niet meer op de Heiligenberg maar op de Oude Hoef in Emiclaer werden geïnd. Na 1026 heeft de abdij nog maar zelden grote schenkingen van de bisschop ontvangen, in Hoogland zelfs niets. Dankzij de ontginningen was dat geen bezwaar, maar in de 12e eeuw daalde de abdij in aanzien. Hoogland merkte dat doordat de bisschop voor grootschalige ontginningen meestal de abdij passeerde; kennelijk waren er andere 'projectontwikkelaars' die efficiënter werkten, zoals rond 1150 in de Haar. De Slaag was deels abdijgebied en is pas in de l4e eeuw verdeeld en ontgonnen.
Broers boek is sterk in het bredere Stichtse kader waarin de abdij zich bewoog, maar kan veel minder Hooglandse details bieden dan Dekker in zijn malenboek. Dat gaat immers over het kerngebied op het Hogeland, waar de malenhoeven lagen. Over de velden en hoeven in de buitengebieden vult Broer de beperkte beschikbare gegevens aan. Dat beperkte aantal geldt zelfs voor Neerzeldert, dat net als Emiclaer een eigen abtsschout had. Die gegevens dateren ook alle van na 1380, wanneer de bewaard gebleven leenregisters beginnen. Wie studie maakt van deze periode zal dus beter kunnen beginnen met de boeken van Dekker, maar daarna dat van Broer niet kunnen overslaan.

Uit 2001-3
Gerard Raven

R.E. de Bruin, A. Pietersma e.a., 'Een paradijs vol weelde.' Geschiedenis van de stad Utrecht (Matrijs en Het Utrechts Archief, Utrecht 2000), 592 pp., isbn 90 5345 1757, f 89,90
R.E. de Bruin, T.J. Hoekstra en A. Pietersma, Twintig eeuwen Utrecht. Korte geschiedenis van de stad (SPOU en Het Utrechts Archief, Utrecht 1999), 104 pp, isbn 90 5479 040 7
Toen ik in het decembernummer van 1997 (pagina's 59-61) de Geschiedenis van de provincie Utrecht besprak werd door een deel van de auteurs alweer gewerkt aan een nieuwe stadsgeschiedenis van Utrecht. Eerst verscheen een kort voorproefje, maar nu is er dan het grote boek. Het wachten is nu alleen nog op de derde schakel: de stadsgeschiedenis van Amersfoort, die ook in voorbereiding is. Elk van de drie genoemde boeken is immers onmisbaar voor de geschiedschrijving van Hoogland, omdat de lotgevallen van de boeren in hoge mate werden bepaald door de hoge heren in Amersfoort en Utrecht. Daar woonden de bestuurders en grootgrondbezitters die de onderzoeker meestal vrij snel tegenkomt.
De waarde van de stadsgeschiedenis van Utrecht is dus vooral indirect. Rechtstreekse verwijzingen naar Hoogland zelf als in het provincieboek zal men vergeefs zoeken. Alleen heks Hendrikje Folkerts komt voor. Doel en aanpak zijn in principe hetzelfde als bij het provincieboek: een breed publiek de laatste stand van het historisch onderzoek te bieden. Daarin zijn de auteurs uitstekend geslaagd. Omdat dat er maar negen zijn (tegen 27 bij het provincieboek) biedt dit boek wel meer samenhang. De gekozen perioden zijn iets korter; bij het provincieboek kregen de thema's juist meer accent. Hoewel men nu stelt dat vooral de politieke geschiedenis de leidraad was komen de andere aspecten ook ruim aan bod.
Het meest enthousiast ben ik over de prachtig gekleurde kaarten en diagrammen. In het provincieboek was daar in mindere mate al een begin mee gemaakt. Nu worden we verwend met bijvoorbeeld de loop van de rivier, straten, huizen, markten, kloosters, poorten, de verspreiding van de nijverheid en de cholera. De meeste daarvan zijn nu voor het eerst gemaakt en bieden snel inzicht voor hen die niet zo thuis zijn in de materie.

D.H. Kok, K. van der Graaf en F. Vogelzang (red.), Archeologische kroniek 1998­1999 (Provincie Utrecht en SPOU, Utrecht 2000), 240 pp, issn 1386-8527
Wat Hoogland betreft biedt deze kroniek niet veel nieuws. Er zijn enkele middeleeuwse vondsten aan de Bunschoterstraat gedaan. Het onderzoek in Vathorst viel tegen, omdat het gebied erg verstoord is. Er werd wat vuursteen gevonden uit de Midden- en Nieuwe Steentijd, dat met de koolstofmethode tussen 6780 en 3120 v.Chr. gedateerd kon worden.

H. van de Hoef, Familie Van de Hoef op Cattenbroeck, De Hoef, De Zielhorst (Hoogland) , Bloemendalschepoort (Amersfoort) ( [ Amersfoort] 2000). Ongepagineerde fotokopie, niet in de handel, in te zien op het clubhuis en het Gemeentearchief.
Deze ringband van ons lid Henk van de Hoef bestaat uit korte geschiedenissen van de vier genoemde boerderijen en elf 'kwartierstaten'. In werkelijkheid zijn dat elf gezinnen die samen een stamreeks Van de Hoef vormen van ene Adriaan tot de zonen van de auteur. Van die Adriaan is verder niets bekend; eigenlijk begint de familiegeschiedenis dus pas met diens zoon Bart Adriaansz en zijn vrouw Jannetje Tonis, die in 1635 hun testament lieten maken. Het is in genealogische publicaties gebruikelijk om dit echtpaar dan als eerste generatie op te voeren.
De korte teksten vallen bijna in het niet bij talloze bijlagen met vooral fotokopieën van archiefstukken en dergelijke. De auteur heeft heel aardige vondsten gedaan, die hij goed toelicht en waarbij hij de lezer ook nog transcripties van lastig leesbare teksten biedt. Zelf vind ik het jammer dat de inleidende teksten zo verschrikkelijk summier zijn. Waarom geen meer verhalende tekst? Nu moet de lezer de details zelf uit de bijlagen halen. Het is te hopen dat dat nog eens kan worden aangepast. Dan kan bij de kaartjes van de erven van de genoemde boerderijen meteen worden aangegeven welk jaar de getekende situatie betreft.

[E.L. van Olst, red.], De boerderij als inspiratiebron. Historisch boerderij-onderzoek 2000 (SHBO, [Arnhem 2000]), 111 pp, te bestellen voor f 20 + verzend­kosten: (026) 3576222
Ter gelegenheid van 40 jaar Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek is een congres gehouden waarvan dit de neerslag is. In plaats van een geschiedenis van de stichting is gekozen voor bredere bijdragen: de achtergronden van het Nederlandse boerderij-onderzoek sinds 1800, de rol van Monumentenzorg, de boerderij in de literatuur en als buitenhuis, en een blik op de toekomst.

Uit 2001-4Gerard Raven ].H.M. en ].G.M. Hilhorst, Soest, Hees en de Birkt. Van de achtste tot de zeventiende eeuw (Hilversum: Verloren, 2001), 367 pp, ISBN 9065506527, f 70,52 (32 euro).
Dit is de eerste integrale studie van een Eemlands dorp in de middeleeuwen. Wij kennen de broers Jan en J os al van verschillende gedegen artikelen over losse onderwerpen, maar nu hebben zij die bouwstenen verbonden tot een samenhangend geheel. Het is een genot om in de inzichten van jarenlange studie te delen. Zo krijgen wij een goed beeld van het bestuur, wegen en wateren, het grondbezit en ­gebruik, de bevolking, de schutterij en het kerkelijk leven. Dat betekent interessant vergelijkingsmateriaal waarmee we nieuwe veronderstellingen kunnen bedenken voor Hoogland.
Bovendien komen de auteurs ook op Hooglands grondgebied. Zij gaan bijvoorbeeld in op Ten Hove/De Oude Hooft als bestuurs- en inningscentrum van de landerijen van de Sint-Paulusabdij voor de wijde omgeving.
Bovendien was de Hooglandse polder De Slaag tot 1814 Soester gebied. Daarbij komen interessante nieuwe details boven water, die veronderstellingen in ons recente themanummer over Hoogland-West bevestigen. Verder blijkt Willem van Abcoude, heer van Soest, veel land in De Slaag te hebben verworven toen hij tegen 1393 een groot deel van de aanleg of verbetering van de Slaagse dijken betaalde. Dat verklaart waarom er op Hamelenberg een woontoren (kasteeltje) van hem verrees. Vaak is gedacht dat die werd verwoest door Maarten van Rossurn, maar in werkelijkheid gebeurde dat al in 1427 door de Amersfoorters, die de troepen van hertog Filips de Goede zagen naderen.
Een interessante ontdekking is een perceel aan de noordgrens van De Slaag waar de Neerzeldertse molen op stond (566 op de kaart van 1666; zie themanr Hoogland-West pag. 85). Dit is kennelijk pas na 1310 drooggelegd en behoorde niet bij De Slaag, maar tot Neerzeldert. De ingelanden konden dus hun water niet alleen via de Overzeldertse en Slaagse wetering, maar ook over eigen grond via de Wijde wetering lozen.
Andere keren overtuigen de auteurs niet geheel. Zo is de opmerking dat de namen Soestbroek en Soestmaat in 1310 duiden op ontginning van de hele polder misleidend; ook de auteurs weten immers dat er nog in 1363 gemeenschappelijk bezit was (pag. 28-29). Ook volgen de gebroeders de stelling van Lotty Broer dat de abdij de tienden van Eemland in 1533 verkocht. Maar zij schrijven een paar regels verder dat Hendrik Petersz Borre van Ten Hove (die de boerderij én de tienden had gepacht) in 1541 nog vrolijk 29 mud rogge als tienden afleverde op de zolder van het klooster! (pag. 60-61). Zelf vond ik nog in 1571 deze tienden in het tiendregister van de Sint-Paulusabdij (zie mijn artikel over Ten Bosch in dit nummer). Tenslotte is in 1641 de tiend in twee blokken gesplitst, informatie die ook weer uit het archief van de opgeheven abdij komt.
Het kaartmateriaal is karig, omdat er alleen oude afbeeldingen voorkomen. Moderne kaarten hadden voor een goed begrip van de tekst eigenlijk niet mogen ontbreken. Alleen een geboren en getogen Soester heeft die niet nodig, maar een boek dat bij Verloren verschijnt heeft natuurlijk een veel breder lezerspubliek op het oog.
Het boek heeft prima registers, die jammer genoeg wel slechts een selectie van namen en begrippen bevatten. De minder belangrijke personen en plaatsen en ook de als bijlage opgenomen lijst van schouten en schepenen vindt men er niet in terug. Ook is er geen literatuurlijst, zodat men soms een aantal noten terug moet lezen om de geciteerde publicatie terug te vinden.
Dat neemt niet weg dat dit een zorgvuldig geschreven boek waar veel van te leren is. Aanbevolen!

O. Dekkers, 'Ter bedevaart', Bun Historiael22 (2001) 52-55 (aanwezig op clubhuis)
Velen zullen bekend zijn met met mirakel van Amersfoort. In 1444 wilde Geertje Arends uit Duist intreden in een klooster. Zij had een pijpaarden Mariabeeldje mee als geschenk. Toen zij voor het eerst van haar leven de stadsmuren en torens zag besefte zij hoe nietig haar beeldje was en gooide zij het in de singel. Daarna gebeurden echter vele wonderen en kreeg het beeldje een ereplaats in een kapel, die uitgroeide tot een fikse kerk (nu verdwenen) met de bekende Onze-LieveVrouwetoren.
Talloze malen is dit verhaal al verteld, maar vaak wordt als Geertjes geboorteplaats ten onrechte Nijkerk genoemd. Dat gebeurt ook in het artikel van Dekkers.

A. ter Beek, 'De bemaling van de Bunschoter polders (4 en 5)', Bun Historiael 22 (2001) 68-77, 102-109
Terzijde wordt aandacht geschonken aan de electrificatie van de gemalen De Haar en Zeldert. De aanleiding daarvoor was dat in 1926 de stoomketel van De Haar werd afgekeurd. De gecombineerde bemaling leidde drie jaar later tot één Waterschap Beoosten de Eem.
H.Gerth, 'Monumenten: het huis aan de "Kleine Melm''', Van Zoys tot Soest 22:1 (2001) 27-28 "Waarschijnlijk het oudste huis van Soest" (is dat zo?) is volgens Henk Gerth het veerhuis, dat al in 1645 bestond, al geven de muurankers het jaartal 1681. Nog een jaar of vijftig geleden zette "Zwarte Willem" van den Heuvel wandelaars en fietsers over, voor een paar stuivers met een klein pontje (zie foto in de vorige Bewaarsman, pag. 48). Ook verhuurde hij roeiboten. Het artikel is zeer beknopt maar bevat wel literatuurverwijzingen.


 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu