2004-2-2 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2004-2-2

Publicatie's > Alle artikelen
 
 
 
 

Oud-werknemers over de melkfabriek van Hoogland
Atty Davidse

Wat hebben Piet Eijbergen en Jan Tolboom gemeen? Oude en minder oude Hooglanders zullen het antwoord wel weten: zij hebben beiden vele jaren gewerkt bij de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Hoogland, in de volksmond de melkfabriek. De fabriek werd in 1909 opgericht en in 1939 grondig verbouwd.

Werken voor drie gulden per week
Op een koude, maar mooie lentemiddag, word ik gastvrij ontvangen in huize Eijbergen om eens wat herinneringen uit die tijd op te halen. Dat valt de heren niet moeilijk; het ene na het andere verhaal wordt uit het geheugen opgediept. Piet Eijbergen weet nog goed dat hij als veertienjarige jongen in dienst trad in 1942.“Ik wou eigenlijk smid worden, maar op een avond kwam de directeur, W.Th. Gudde, bij mijn moeder. Hij vroeg niet of ik wou, maar hij zei: ‘Die jongen kan morgen om zeven uur beginnen’. We woonden naast de fabriek en ik kende de jongens die er werkten al, en tja, het was oorlog, dus er was niet zoveel te kiezen. Ik kreeg drie gulden in de week”.



De fabriek na de verbouwing in 1939 (foto’s uit het gedenkboekje 1949)

Piet werd monsternemer. Dat betekende dat hij een monster moest nemen van de boerenmelk die in een bascule (een soort weegschaal) werd gestort, het monster een nummer geven en veertien dagen bewaren. Een keer in de twee weken werd het vetgehalte bepaald. Naar aanleiding van het gemiddelde vetgehalte en het gewicht van de melk in kilo's (niet in liters) werd de prijs bepaald. De ondermelk (ontroomde melk) kreeg de boer terug, maar hij moest die wel betalen.

Mislukte ijsjes
Jan Tolboom begon in 1948 bij de melkfabriek, eveneens als veertienjarige. Zijn eerste functie was laboratorium-medewerker. “Ik hield me bezig met het onderzoek van de melkmonsters van bepaalde groepen. Ik moest de flesjes uit de kistjes halen, op nummer zetten en als de melk onderzocht was, de flesjes weer schoonmaken. Daarnaast moest ik de karnemelkuitgifte doen. In het begin was de grote poederinstallatie er nog niet; wel was er een botermakerij. De afgeroomde melk kregen de boeren weer terug. De karnemelk die overbleef ging in bussen mee terug. ‘s Middags als het werk af was, mocht ik meehelpen in de ijskelder. Daar werd roomijs gemaakt. Ik mocht er ook snoepen. Ik weet nog goed dat we een chocolade-ijsmachine hadden, en als er dan eens een ijsje mislukt was zeiden ze tegen me: ’Opeten jij!' Nou, dat was geen probleem, ik kon er goed tegen’.”



Het personeel in 1939. Op de achterste rij vlnr Johan van Eijden, Hendrik van Dijk, Kees Smink, Gradus van Westerlaak, Kees van de Coterlet, stagiair, naam onbekend. Op de middelste rij vlnr Dorus Uppelschoten, Daan van Dijk, Hend Tolboom, Anna Gudde. Vooraan vlnr Gerrit de Ridder, 
Jan Gudde, Wim Eijbergen



Het laboratorium met achter de tafel Johan van Eijden en voor het raam Gradus van Westerlaak

Seizoensarbeid 
In Hoogland werd de melk in zo’n vijftien melkwagens bij de boeren opgehaald. Meestal waren de rijders boeren die dat naast hun gewone werk deden. Eerst met paard en wagen, later met een tractor en wagen. Henk van Nieuwenburg van Zeldert was de laatste die met paard en wagen reed. De melkfabriek was een echt seizoensgebonden bedrijf. In de winter gaven de koeien maar éénderde deel van wat zij in de zomer gaven, vertelt Tolboom. ‘s Zomers werd er 54 uur per week gewerkt, 6 x 9 uur; op zaterdagmiddag was je vrij maar zaterdagavond moest je weer terug voor de avondontvangst. In de winter werd er ‘maar’ 42 uur gewerkt. Echter, dat betekende niet dat er niets te doen was. Hij herinnert zich nog goed welke karweitjes er allemaal geklaard moesten worden. “Schilderwerk, machineonderhoud, straatmaken, en ook de vijftien bakfietsen waarmee ’s zomers het ijs werd rondgebracht, moesten worden opgeknapt. Op die bakfietsen stond: Hooglands roomijs. De belettering moest ook weer netjes worden bijgewerkt. Ik vond het allemaal heel interessant. Ik heb veel geleerd, onder andere van de tegelzetters en de schilders. Het werk op de melkfabriek was beslist niet eentonig”.

Eind jaren zestig moesten er veel stoompijpen worden geïsoleerd, omdat er anders teveel warmteverlies plaatsvond. Jan en Piet hadden zich dit isoleren aangeleerd door de fijne kneepjes van het vak af te kijken van de vaklieden. Juist in die tijd fuseerde de melkfabriek met een aantal andere in de omgeving. En zo trok het tweetal er ’s winters samen op uit om te isoleren, naar Arnhem, Terschuur en Didam. Dat dit werk door eigen mensen gedaan kon worden, bespaarde de melkfabrieken geld en tijd. Maar we lopen vooruit op de tijd, want in de jaren veertig en vijftig heerste een andere tijdgeest

De oorlog
Piet, die in 1942 in dienst kwam, vertelt dat de melk in de Tweede Wereldoorlog op een gegeven moment maar één of twee keer in de week werd opgehaald. “De Crisis Controle Dienst bepaalde het aantal liters, bijvoorbeeld 100, dat aan de fabriek geleverd moest worden. Als ze dan 130 liter hadden, mochten ze 30 liter aan de deur verkopen. Vooral in de hongerwinter kwam er vanuit de steden een stroom mensen die langs de boeren gingen om melk te kopen. Tja, en er waren goeie en kwaaie controleurs. Sommigen knepen een oogje dicht, zodat er meer verkocht kon worden.”

In de dagen vóór de bevrijding was er tussen de melkfabriek en de Hamseweg een stuk niemandsland. Tussen de Canadezen en de Duitsers werd zwaar gevochten. De kelder van de melkfabriek diende toen voor de hele buurt als schuilplaats. Voor de ramen waren zandzakken geplaatst en men achtte zich relatief veilig, omdat de vloer boven de kelder erg dik was. Piet Eijbergen was daar niet bij. Hij was bij een boer ondergedoken. Daar kwamen de Duitsers op een gegeven moment in de laatste oorlogsweek vertellen dat de pijp van de melkfabriek opgeblazen zou worden. Om half drie ’s middags. En dat gebeurde ook, heel netjes en precies. Waarom? “De pijp diende als oriëntatiepunt, evenals de toren van de Sint- Martinuskerk, die is ook opgeblazen”, aldus Piet.

Na de bevrijding werd er een ijzeren noodpijp geplaatst, met een aanjager, omdat de trek te laag was. Zo kon de fabriek weer draaien. Betrekkelijk snel daarna werd er een nieuwe pijp gebouwd. Stoomkracht was in die tijd heel belangrijk, benadrukken Piet en Jan. Je had koelmachines, pasteurisatiemachines en centrifuges.

Leven met de melkfabriek
In die tijd was het ook de gewoonte dat jonge mannen op negentienjarige leeftijd in dienst gingen. Zo ook Piet en Jan. Bij terugkomst konden zij hun werk gewoon weer opnemen, dat was ook zo geregeld. Hoewel Piet toch wel even heeft getwijfeld. In dienst had hij in het muziekkorps gespeeld en in Amersfoort kreeg hij aanbiedingen van bedrijven die ook behoefte hadden aan een geoefend speler voor hun muziekkorps. Maar nee, op de melkfabriek had hij het goed, hij kende alle jongens en het was gezellig.

In 1956 ging Piet twee jaar naar de Zuivelschool in Utrecht, om verstuivingpoeder te leren maken. Het examengeld was ƒ150. Als je slaagt betalen wij het, als je zakt betalen wij de helft, beloofde de directie hem. Van de zeven cursisten die van zijn groep overbleven zakten er vier. Tot zijn verbazing behoorde hij tot de drie gelukkigen. Omdat er zo weinig geslaagd waren, werd afgezien van het voorgenomen cafébezoek om het te gaan vieren. Wel blij was hij met zijn salarisverhoging van ƒ9.



Het beroemde Hooglandse ijs
Jan Tolboom werd na zijn diensttijd helemaal ingezet bij de productie en distributie van ijs. Ook dat was weer leuk werk. Met de bus ging hij er op uit, helemaal tot in Amsterdam. “De verkoop was sterk afhankelijk van het weer. Het depot was in Amersfoort, ik zat in de buitendienst. Met het Hooglands roomijs, destijds bekend en gewaardeerd, ging men ook festiviteiten af. Langzamerhand ging men moderniseren, maar eigenlijk ging het te traag. Men kon niet aan de vraag voldoen, doordat er te weinig capaciteit was. Er moesten grote investeringen gedaan worden om nieuwe apparaten aan te schaffen. En toen kwam de concurrentie.Ons assortiment werd te eenzijdig. Uiteindelijk is besloten met de productie te stoppen. Het klantenbestand werd nog bijgehouden, maar toen depothouder Dorus in Amersfoort met pensioen ging was het afgelopen. Dat was in 1971, in hetzelfde jaar dat Jan besloot het bedrijf te verlaten. En Piet ook. Waarom?

Het einde van de dienstbetrekking
Piet: ”In 1970 dacht ik: ‘Die fabriek gaat vast dicht’. Jan en ik waren voor het isoleren vaak bij andere fabrieken geweest en hadden gezien hoe de situatie daar was. Er was weinig werk, de tekenen waren veelzeggend en in verschillende plaatsen waren al melkfabrieken gesloten. Ik had achttien jaar op de Poederafdeling in de continudienst gewerkt. Mijn vrouw vond het niks met een gezin, die continudienst. We hadden zes kinderen. Ik vond dat ik aan de toekomst moest denken. Er waren er maar een paar die me gelijk gaven”. Hij vond een baan bij het Kadaster, deed een opleiding landmeetkunde en heeft nog vele jaren als landmeter gewerkt. In die functie is hij nauw betrokken geweest bij de vele uitbreidingen rond Hoogland.

Ook Jan constateerde dat het einde van de melkfabriek in zicht was. “Ik dacht: wegwezen, niet doorsukkelen,” vertelt hij. “Ik had in mijn vrije tijd al bij meubelzaak Kok gewerkt, destijds nog gevestigd aan de Berkenlaan. Ik had me ook het stofferen aangeleerd. Al verschillende malen had Piet Kok me gevraagd de overstap te maken. Op een gegeven moment heb ik dat gedaan. Ik heb 23 jaar bij de melkfabriek gewerkt en 23 jaar bij Kok.”

Het einde van de melkfabriek
De tijden waren inmiddels ook veranderd. W.Th. Gudde was opgevolgd door zijn zoon Herman. Vader Gudde was een autoritaire directeur geweest. Volgens Piet en Jan waren de boeren bang voor hem geweest. Zelfs als hij op zijn kantoor zat te werken, namen de boeren hun pet af als zij voorbij reden, ook al keek hij niet naar buiten. Dat paste in de tijdgeest, menen zij, terugkijkend. Zijn kwaliteiten werden echter wel gewaardeerd, net als die van Herman. Maar met de fusie kreeg deze de functie van hoofd afdeling Verkoop in Arnhem, en daarna werd alles toch anders. Beiden besloten de knoop door te hakken en hebben er geen spijt van gehad.Eind 1977 werd het personeel nog verzekerd dat de melkfabriek zou blijven bestaan. Toch werd die per 1 januari 1978 definitief gesloten. Wim Wernsen was de melkontvanger die de laatste bus ontving, een bus die later is beschilderd. Piet Eijbergen en Jan Tolboom hebben er begrip voor. Door de invoering van melkdistributiein tanks, kon de melk veel beter verwerkt worden in een grote fabriek. Dat was economischer. De voorspelling dat er in Nederland maar twee, ten hoogste drie melkfabrieken zouden overblijven, zagen zij uitkomen.

Op 11 november 1980 werd de melkfabriek gesloopt na jarenlange leegstand (collectie Riet Eijbergen)

Beiden kijken met enorm veel plezier terug op hun werkzame periode bij de melkfabriek. Zij roemen de goede onderlinge sfeer en de behulpzaamheid. De meeste werknemers kwamen heel jong in dienst na de verbouwing van de melkfabriek in 1939, en bleven er tot hun pensioen werken; 40 dienstjaren was toen heel gewoon. Aan hun samenwerking tijdens het isoleren bij de fabrieken in de regio bewaren Piet en Jan eveneens uitstekende herinneringen. Piet:”Het ging zó goed tussen ons tweeën, dat Jan zijn vrouw wel eens vroeg: ‘Hebben jullie dan nooit ruzie?’ Ik antwoordde dan: ‘Nee, zelfs geen verschil van mening’.

”Zie ook: 40 Jaar Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “Hoogland” te Hoogland 1909 5 maart-1949 (Hoogland 1949)
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu