2005-1-2 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2005-1-2

Publicatie's > Ons blad De Bewaarsman
 
 
 
 

Joden in Hoogland 1940-1945 
Jaap Voorburg 

In De Bewaarsman van april 2004, pagina 21 worden vragen gesteld, die mij doen beseffen hoe snel dingen weer vergeten worden. Vandaar dat ik inga op de oproep om op papier te zetten wat ik nog weet over het lot van de joden op Hoogland tijdens de oorlogsjaren. 

Om te beginnen verwijs ik maar weer naar J.L. Bloemhof, Amersfoort '40-'45 11 (Amersfoort 1995). Op pagina 19 kunt u hierover het een en ander lezen, onder andere dat in juni 1942 de toegangswegen al waren voorzien van borden met het opschrift Joden niet gewenscht. Ik herinner mij dat dergelijke borden in feite bij alle openbare gelegenheden waren aangebracht en dat we ze daardoor eigenlijk niet meer zagen. Dat was onbewust een soort struisvogelpolitiek, want de borden en bordjes waren onderdeel van een afschuwelijk systeem. 

Stelt u zich maar eens voor dat een bord met Verboden voor Hooglanders op alle genoemde plaatsen is aangebracht. Je hebt dan alle tijd om je te realiseren wat het betekent, want het hangt ook op je werk en je bent als Hooglander herkenbaar. Als je op straat loopt kun je nergens naar binnen, want zowel jij als de eigenaar of beheerder van het pand zijn strafbaar. Je komt trouwens niet ver, want ook het openbaar vervoer is verboden. Er is maar één soort openbaar vervoer waar je in mag. Dat zijn veewagens met heel veel staanplaatsen, geen toiletten en geen restauratie. Voor de lange reis zijn er ook geen retourbiljetten ... Vanaf de zomer 1943 heb ik veel van deze transporten op het station van Amersfoort zien inladen en vertrekken. Het "vee" bestond toen allang niet meer uit alleen joden, maar de treinen hebben nog wel vele jaren door mijn nachtmerries gereden.

Onderduikers 
Bloemhof vermeldt ook dat verscheidene inwoners van Hoogland joodse medeburgers hebben verborgen. Twee van deze onderduikers heb ik goed gekend. Wij noemden ze Herman en Chris; hun echte namen weet ik niet, maar als ik het mij goed herinner waren zij familieleden van apotheker Manasse in Amersfoort. Zij waren ondergedoken op de boerderijen van Wulf van de Grootevheen en Gijs Voorburg. Deze boerderijen staan aan wat nu de Mgr Van de Weteringstraat is, maar dat zag er toen heel anders uit. Vanaf de Bunschoterstraat liep een paadje over het Spiekerdiekje, tot aan het begin van de steeg naar de boerderij van Dorus Tolboom. Daar begon een zandweg met ongeveer het tracé van de Van de Weteringstraat. Deze zandweg liep dóór tot even voorbij boerderij Laurenburg. Wulf van de Grootevheen woonde ertegenover. Vanaf Laurenburg liep er weer een pad langs een perceel bouwland dat wij Het Halloo noemden. Dit pad kwam weer uit op een gedeeltelijk afgegraven Spiekerdiekje bij boerderij Vudijk van Gijs Voorburg. 

De genoemde zandweg was per voertuig alleen via de Oudeweg bereikbaar. Op de Vudijk kon je komen vanaf de Coelhorsterweg, via een met bomen en struiken omzoomde steeg van zo'n 400m lengte. Dat was geen openbare weg, want ome Gies, een broer van mijn vader, bracht de melkbussen met een hondenkar naar de verharde Coelhorsterweg. 

De onderduikadressen lagen dus behoorlijk afgelegen. Dat moest ook wel, want op het verlenen van onderdak aan joden stond de doodstraf. De betrokken gezinnen namen dus een zeer groot risico. Bovendien moet men beseffen dat het geen geringe opgave is om iemand van een andere subcultuur een groot aantal jaren op te nemen. Enkele jaren geleden wemelde het in ons land van zedenmeesters, die opmerkten dat ons volk in gebreke was gebleven omdat in andere landen een veel hoger percentage joden de oorlog heeft overleefd. Daarbij bleek nooit iets van het besef dat het opnamevermogen van een gemeenschap door veel factoren beperkt wordt. Op Hoogland werd dit opnamevermogen al in een vroeg stadium op de proef gesteld. Eén van de eerste joodse onderduikers kreeg ernstige moeilijkheden met het gastgezin en daarom moest voor hem weer een nieuw adres gezocht worden.

Het was overigens niet zo dat de onderduikers voortdurend in een schuilplaats zaten. Ze werkten mee op de boerderij en hadden daar een redelijk normaal leven. Herman en Chris gingen soms zelfs op de fiets naar de plaats waar hun ouders ondergedoken zaten. Op een keer kwamen ze hiervan zeer ontdaan terug. De schuilplaats was overvallen en hun ouders waren weggevoerd naar Westerbork.

Wij hadden veel contact met hen. Ze zijn vele avonden bij ons op bezoek geweest. Zij kwamen dan luisteren naar de uitzending van Radio Oranje en bleven gewoonlijk koffie drinken en soms een potje kaarten. Dat bleven ze doen nadat de Duitsers de burgerbevolking van het electriciteitsnet had afgesloten. Zij zagen namelijk kans om ons elke avond tegen acht uur weer aan te sluiten, zodat zij weer naar de Engelse zender konden luisteren. Dit zijn ze blijven doen totdat het leidingnet door het dichterbij komen van de oorlogshandelingen onklaar raakte. Daarna heb ik hen nooit meer teruggezien. Ze hebben de komst van de bevrijders niet afgewacht, maar zijn hen tegemoet gegaan en hebben als gids gediend bij de opmars naar en in Hoogland.

Uit betrouwbare bron heb ik gehoord dat één van hen daarbij gewond is geraakt. Daardoor werd hij opgenomen in een hospitaal in of bij Apeldoorn. Daar ontmoette hij een verpleegster van het Rode Kruis, die tijdens de bezetting geregeld in Westerbork was geweest. In één van de gesprekken daarover vertelde zij dat ze een keer een trouwring van een jodin had gekregen. Die gaf ze aan hem, omdat ze vond dat hij daar meer recht op had. Uit het verdere gesprek bleek het de trouwring van zijn moeder te zijn! 

Naschriften redactie 
In Oud-Utrecht (2004) 12-17 is te lezen dat de jodenvervolging in Utrecht relatief mild was. 50% overleefde het, terwijl dat voor heel Nederland maar 27% was. Uit andere bron blijkt dat in Amersfoort trouwens 55% gespaard bleef. In het genoemde artikel staat een foto met het bordje Joden niet gewenscht in Maartensdijk. 

Nechamah Mayer-Hirsch bericht naar aanleiding van dit artikel over Salomon Klein. Deze koopman was op 28 januari 1906 te Amersfoort geboren en werd op 18 april 1945 in Hoogland gearresteerd en gedood. Hij ligt begraven op de joodse begraafplaats aan de Soesterweg.
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu