2005-3-1 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2005-3-1

Publicatie's > Alle artikelen
 
 
 
 

Het Electriciteitsbedrijf van Hoogland
Het korte avontuur van een gemeentebedrijf
Dirk Steenbeek

Een leven zonder electriciteit is tegenwoordig niet meer voor te stellen. Voor verlichting, verwarming en ontspanning, in het verkeer en op het werk, overal en altijd zijn we afhankelijk van stroom. Toch is het nog maar verrassend kort geleden dat in Hoogland electriciteit een onbereikbaar fenomeen was. In 1993 werd de inventarisatie van het archief van de gemeente Hoogland voltooid. Dit heeft interessante, maar vrijwel vergeten feiten aan het licht gebracht over de electrificatie van de gemeente. Het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf heeft maar kort bestaan en is weinig roemrijk verdwenen. 

Particulier initiatief 
De eerste aanzet tot electrificatie van de gemeente kwam van een particulier, Johannes Karel Knottenbelt. Hij was eigenaar van de melkfabriek Vinkenhoef, toen nog gelegen in Hoogland. Hij nodigde op 20 december 1917 A.ten Bosch, een deskundige op het gebied van electriciteit, uit om in Hoogland een lezing te houden over de voordelen van stroom. Op dat moment woedde in Europa de Eerste Wereldoorlog en hoewel Nederland neutraal was, waren de gevolgen van de oorlog hier duidelijk merkbaar. Zo waren veel goederen gerantsoeneerd, waaronder kaarsen. Voor de inwoners van Hoogland betekende dit dat zij slechts eens in de zoveel tijd kaarsen konden halen op het gemeentehuis. Zieken konden overigens altijd kaarsen kopen, zij het tegen overlegging van een doktersverklaring. Reden genoeg om eens over de voordelen van electriciteit 'het licht op te steken'. 

Blijkens een verslag van deze lezing in De Eembode, Katholiek nieuwsblad van Amersfoort en omstreken van de volgende dag werd al tijdens deze bijeenkomst een commissie tot bevordering van aanleg van een electriciteitsnet gevormd, onder voorzitterschap van de eerder genoemde Knottenbelt. Optimistisch werd gedacht dat de electrische lampen al in april 1918 zouden 'gloeien'. Behalve de gewenste electriciteit voor huishoudelijk gebruik zou ook zoiets vanzelfsprekends als electrische straatverlichting gerealiseerd kunnen worden. 

De commissie ging voortvarend te werk en stuurde op 27 december, dus één week na de bijeenkomst, aan de minister van Waterstaat en Gedeputeerde Staten een verzoek om stroom te mogen betrekken via een kabel die vanuit Amersfoort zou worden doorgetrokken. Om onduidelijke reden horen we daarna enige tijd niets meer over de plannen tot electrificatie.



Kaart van het electriciteitsnet in de Hamseweg. De Bik en Coelhorsterweg (alle documenten uit archief gemeente Hoogland) 

Mogelijk omdat Amersfoort op dat moment stroom betrok van de Noord-Hollandse ElectriciteitsMaatschappij en niet van de op 7 oktober 1916 opgerichte Utrechtse zuster PUEM. Dat gold ook voor Soest, Eemnes en Baarn. Hierover bestond tussen beide maatschappijen onenigheid. Daarbij raakte mogelijk ook Hoogland indirect betrokken, gezien het plan om stroom te betrekken via Amersfoort. Overigens was op dat moment niet heel Hoogland verstoken van stroom. In 1917 was al een kabel doorgetrokken naar Hooglands grondgebied, onder strikte bepaling dat dit uitsluitend zou geschieden ten behoeve van de NV Houthandel 'De Eem', voorheen Oostermeijer & Co. aan de Eem buiten de Koppelpoort. (Pas in 1940 werd dit als gevolg van een grenswijziging Amersfoorts grondgebied). Een andere verklaring kan zijn dat de kosten van electrificatie van de hele gemeente werden geschat op 320.000 gulden, in die dagen een fortuin. De kosten waren zo hoog omdat de ongeveer 600 huizen in de gemeente ver uit elkaar lagen, waardoor met name de aansluitingskosten buitensporig hoog zouden zijn. Hoogland telde toen ongeveer 2800 inwoners.

Bescheidener plan 
In tegenstelling tot tegenwoordig waren toentertijd de loonkosten laag, maar de materiaalkosten hoog, ook als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Pas op 4 september 1920 kwam de electrificatie weer ter sprake, nadat de PUEM het gemeentebestuur een plan voor oprichting van een gemeentelijk electriciteitsbedrijf had aangeboden. Slechts de electrificatie van De Ham, Coelhorst en Langenoord werd hierin economisch haalbaar geacht. Verdere uitbreiding van het net zou slechts rendabel zijn bij verlaging van de productiekosten (lees: de kolenprijs). In totaal ging het om 50 huisaansluitingen en een straatverlichting bestaande uit 30 lantaarns. De PUEM zou het electriciteitsnet aanleggen en onderhouden op kosten van de gemeente. De gemeente zou de stroom niet zelf produceren, maar deze tegen een vaste prijs afnemen van de PUEM en verkopen voor (uiteraard) een hogere prijs dan waarvoor ze die had ingekocht (55 cent per kWh). Ook de verhuur van electriciteitsmeters leverde inkomsten voor de gemeente. Deze bleef dus een schakel tussen de PUEM en de gebruikers. De kosten van dit hele plan werden geschat op 17.800 gulden. 

In de gemeenteraadsvergadering van 5 oktober was de directie van de PUEM aanwezig om tekst en uitleg te geven. Blijkbaar deed zij dat zó overtuigend dat nog in dezelfde vergadering werd besloten om tot uitvoering van het plan over te gaan. Tevens werd besloten een obligatielening van 20.000 gulden af te sluiten om de kosten te dekken. Aflossing zou geschieden door aandelen van 100 gulden uit te loten tot het jaar 1960. Al in de vergadering van 29 oktober kon burgemeester Van Tuyll van Serooskerken meedelen dat de lening ruim voltekend was. Tevens werd het voorstel aangenomen om aan de PUEM een begroting van kosten te vragen voor electrificatie van Zevenhuizen. 
De aanleg van het electriciteitsnet moet voortvarend ter hand genomen zijn, want uit een bericht in De Eembode van 11 maart 1921 blijkt, dat het net op de 7e in gebruik is genomen. Op 30 maart werden de verschillende regelingen en overeenkomsten met de PUEM getekend. Kort daarna vroeg ook de buurtschap Zeldert om aansluiting op het net. Tevredenheid alom naar het schijnt.


Een soortgelijke paal zonder opstand vóór het gemeentehuis aan de Hamseweg. ca 1930

Schrik 
Maar deze tevredenheid duurde niet lang. Tot 21 juni, om precies te zijn. Op die dag ontving de gemeente namelijk de rekening van de PUEM voor de kosten van de aanleg van het electriciteitsnet. In plaats van de geschatte 17.800 gulden bleken deze maar liefst 28.147,57 gulden te bedragen. Met een korte tijd later ingekomen navordering bedroegen de kosten in totaal zelfs ruim 31.000 gulden. 

Geschrokken vroeg het gemeentebestuur de PUEM om opheldering. Volgens de PUEM was de verhoging van de kosten veroorzaakt door een aantal factoren. Er waren 61 huisaansluitingen gerealiseerd, dus 11 meer. Verder was het transformatorhuis van steen gebouwd, in plaats van een op houten palen geplaatst masttransformatorstation. Tenslotte had men zonder kosten in rekening te brengen huizen aangesloten tot 50 m van de hoofdleiding, in plaats van de oorspronkelijk overeengekomen 20 m. Het gemeentebestuur uitte scherpe kritiek op de gang van zaken. Toch besefte zij dat haar niet veel anders restte dan een nieuwe geldlening van 10.200 gulden af te sluiten om ook deze kosten te kunnen dekken.

Vanaf dat moment heeft de gemeente eigenlijk continu met tegenslagen te kampen gehad. Het eerste boekjaar sloot met een verlies van 988 gulden en anderhalve cent. Tot overmaat van ramp besloot de PUEM een nieuwe electriciteitemeter in te voeren met een lagere huurprijs. In die tijd werd er nog onderscheid gemaakt tussen (dure) lichtstroom en goedkopere krachtstroom, waarvoor een aparte huis leiding en meter (met een hogere huur) noodzakelijk waren. Door een gecombineerde meter in te voeren, waardoor alle extra voorzieningen overbodig zouden worden, hoopte de PUEM het stroomverbruik te stimuleren. Dit ging ten koste van het gemeentelijk electriciteitsbedrijf, dat voor haar inkomsten immers mede afhankelijk was van de verhuur van meters. Volgens de PUEM zou dit verlies aan inkomsten gecompenseerd worden door het grotere stroomverbruik; men verwachtte immers dat de Hooglanders meer electrische huishoudelijke apparaten zouden aanschaffen.



Enkelvoudige paal in de Vinkenbuurt aan de Hamseweg, ca 1930 

Het einde 
In januari 1923 volgde een derde tegenvaller. Eén van de grootverbruikers, de borstelfabrikant en wagenmaker Gijsbertus van Ree, verzocht om verlaging van de tarieven in verband met de felle concurrentie. Dit werd hem toegestaan. Waarschijnlijk kwamen de gemeente en de PUEM hierdoor tot inzicht dat de overeengekomen taakverdeling niet de meest ideale was. In de gemeenteraads-vergadering van 8 mei werd het voorstel behandeld om het Gemeentelijk Energiebedrijf aan de PUEM te verkopen. Burgemeester Van Tuyll van Serooskerken was voorstander van dit plan. Het zou de electrificatie van de rest van de gemeente bevorderen, iets waarvoor het gemeentebestuur absoluut geen geld had. Bovendien zou de gemeente zo geen risicodragende partij meer zijn. 

Met algemene stemmen werd besloten om het college van Burgemeester en Wethouders te machtigen met de PUEM over de overname van het Electriciteits-bedrijf te onderhandelen. Dit resulteerde in een overeenkomst waarbij het electriciteits-bedrijf, of zoals het werd geformuleerd, 'het geleidingsnet voor electriciteit door de Gemeente tot stand gebracht, benevens het daartoe behorende transformatorstation met onder- en bijbehorende grond, huisaansluitingen en meters', aan de PUEM werd verkocht voor een bedrag van fl. 32.477.27

De ondertekening van deze overeenkomst, in januari 1924, betekende het einde van het electriciteitsbedrijf van de gemeente Hoogland. Een gemeentelijk bedrijf dat in de korte tijd van zijn bestaan vrijwel uitsluitend met tegenslagen te kampen heeft gehad. Toch markeert het een zeer belangrijke gebeurtenis: de electrificatie van de gemeente Hoogland. 

Bronnen 
Archief Eemland, Archief van de gemeente Hoogland, inv.nrs 25, 26, 308-312 De Eembode 21.12.1917 en 11.3.1921 A. Brongers, 'Vinkenhoef', De Bewaarsman 5 (1999) 87-94 Dirk Steenbeek is adjunct-archivaris van Archief Eemland. Het artikel is in iets aangepaste vorm overgenomen uit de nieuwsbrief Vereniging Dorpsbelangen Hoogland (nov. 1994) [10-111 en (dec. 1995) 10-12.90

Dirk Steenbeek is adjunct-archivaris van Archief Eemland. Het artikel is in iets aangepaste vorm overgenomen uit de nieuwsbrief Vereniging Dorpsbelangen Hoogland (nov.1994) (10-11) en (dec. 1995) 10-12
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu