2014-1-4 - Historische Kring Hoogland

Zoeken
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

2014-1-4

Publicatie's > Ons blad De Bewaarsman
 
 
 
 
Het geheim van een erfdienstbaarheid
 
Hooibouw in de jaren dertig
 
Jaap Voorburg
 
Bij de oogst was het alle hens aan dek, ook voor de kinderen. Het was hard werken maar er was ook veel plezier en je leerde er veel van. Maar wat deed je als het erg drassig was?
 
Bij mooi weer in de maanden juni en juli waren de hoogste klassen van mijn dorpsschool zo goed als leeg. De boerenzoons hadden dan hooibouwverlof.
Op het eerste gezicht lijkt dit een ongewenste verstoring van het lesprogramma, maar als ik nu lees dat er voor leerlingen van het voortgezet onderwijs soms geen stageplaatsen beschikbaar zijn denk ik dat dit laatste erger is.
 
De hooibouw was voor de rundveebedrijven een hoogseizoen. Het was bepalend voor de voerkosten in het winterhalfjaar. De hulp van de oudere kinderen was daarbij erg welkom, maar het was voor hen ook een leerzame periode. Zij werkten immers mee in het hele team van het gezin en leerden van alles over de planning en organisatie van het werk en de problemen die moesten worden opgelost.
 
Het boeiendst vond ik het laatste deel van de hooibouw, want dan gingen we naar de polder. Die polder was een uitgestrekt gebied aan weerszijden van het riviertje de Eem. Vóór de aanleg van de Afsluitdijk werd het gebied veelvuldig overstroomd. Daarom was er alleen aan de rand bewoning en bijgevolg werd het niet doorsneden door wegen. Dat was ook de reden waarom we er pas tegen het einde van de hooibouw heen gingen. Om ons perceel te bereiken moesten we eerst door zes langwerpige kavels van andere boeren en die moesten eerst hun gras gemaaid en gehooid hebben. Over die kavels hadden wij recht van overpad, onder bepaalde voorwaarden. Juridisch heet dat een erfdienstbaarheid. Door de percelen liep een karrenspoor dat niet verhard was, hooguit wat verhoogd met zand.
 
In natte zomers leverde de vochtige grond bij het winnen van hooi veel problemen op. Er was ook een aanzienlijk risico dat een vol beladen wagen vast kwam te zitten. Dat probleem was het grootst op de plaatsen waar de afzonderlijke kavels waren gescheiden door een sloot of een wetering. Daar moest men een dam of een brug passeren, zodat er geen enkele mogelijkheid was om een beetje naast een kapot gereden spoor te gaan rijden. Op andere plaatsen was die mogelijkheid er wel, maar het werd zo min mogelijk gedaan omdat het eigenlijk niet mocht. Gewoonlijk had de eigenaar er wel begrip voor, want als een wagen vast kwam te zitten of zelfs omviel, kwam er op die plek ook veel schade aan de graszode en dat gold dan als overmacht.
 
In een zomer met slecht hooiweer ging het meestal mis bij het afvoeren van de laatste vracht hooi. Het was dan al laat in de avond; de mannen en paarden waren moe en de wagen was slecht of te zwaar beladen. Gelukkig bleef de schade meestal beperkt tot extra werk dat noodzakelijk was om het hooi opnieuw op een wagen te laden.
 
 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu