2017-1-2 - Historische Kring Hoogland

Welkom op onze site
Deze website maakt geen gebruik van cookies en bevat geen online winkel
Ga naar de inhoud

2017-1-2

Publicaties > blad De Bewaarsman
Van kerkschuur tot katholieke zuid-as
De geschiedenis van katholiek Hoogland - deel 2
 
RUUD HOPSTER
 
In dit tweede deel van een vierdelige serie over de geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk op Hoogland wordt verder antwoord gegeven op de vraag waarom Hoogland ook na de beeldenstorm katholiek bleef. Een belangrijke mijlpaal in die geschiedenis was de bouw van de eerste kerk op Langenoord. De pastoors die daarin de mis opdroegen waren echter niet allen even geliefd…..

 
Rondtrekkende priesters en draagbare altaren
Verschillende schrijvers bogen zich over die vraag waarom Hoogland katholiek bleef. Cor van den Hengel noemde een viertal mogelijke redenen:
1. Er was geen kerk die overgenomen kon worden, geen pastoor die afgezet kon worden, geen predikant die benoemd kon worden.
2. De katholieke familie Foeyt, die op Emiclaer tussen 1579 tot 1738 de heerlijke rechten had, bleef de roomskatholieke Kerk trouw. Zij kerkte in Amersfoort.
3. Was de Mariadevotie in Hoogland de reden? Tenslotte kwam Griet Alberts Gysen die in 1444 het onooglijke Mariabeeldje bij de Kamppoort uit het water viste, uit Duist.
4. Was het de emotionele band met de Paulusabdij uit Utrecht die hier het land had ontgonnen?
 
Dick van Wees vermeldde de ijver van de rondtrekkende priesters vanuit Nijkerk en Harderwijk. Hun bijeenkomsten trokken honderden gelovigen. Ook wees hij op het feit dat het gereformeerd protestantisme een stadsbeweging zou zijn die min of meer voorbijging aan de plattelandsbevolking. De boerenbevolking had niet veel belangstelling voor de nieuwe leer en oude machthebbers, zoals de schout van Hoogland, werkten de stichting van nieuwe protestantse gemeenten tegen. In Hoogland bleef het katholieke geloofsleven goeddeels intact dankzij het werk van priesters als Arnoldi en de familie Foeyt, heren van Langenoord.

Huib Leeuwenberg wees op de gebrekkige organisatie van het protestantiseringsproces. Bij gebrek aan predikanten besloot men dat schoolmeesters na het gebruikelijke klokluiden zouden voorgaan in het zingen van psalmen en het lezen in de Heilige Schrift. De Hooglandse katholieke schoolmeester op Coelhorst, Gerrit Arentsz, weigerde echter uit de bijbel voor te lezen. Van de protestantse diensten in de kapel van Coelhorst kwam niet veel terecht. Het had de zorg van de Amersfoortse classis moeten zijn, maar die was tamelijk machteloos gezien de onverschilligheid van de maarschalk van Eemland [1] en het gebrek aan gereformeerde schoolmeesters, kosters en doodgravers. En van het katholieke dorpsbestuur,schout en schepenen, viel in dezen niet veel te verwachten.

Duidelijk moge in elk geval zijn dat de effectiviteit, de betrokkenheid en de snelheid van handelen van de rondtrekkende priesters heel wat groter was dan die van de Amersfoortse gereformeerde classis bij hun pogingen de eigen kerk gestalte te geven. Terwijl die rondtrekkende priesters met hun draagbare altaren al rond 1570 actief waren in Hoogland, werden in de kapel van Coelhorst pas vanaf 1655 protestantse erediensten gehouden, en dan ook nog zeer onregelmatig, door predikanten vanuit Amersfoort.

Statie Hoogland
Na de reformatie ontstond er rond 1640 een rooms-katholieke statie Hoogland en Emiclaer, die in 1853 tot parochie werd verheven. Een statie was een standplaats voor missionarissen, lag in missiegebied en viel onder een apostolisch vicaris. Tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 was Nederland officieel zendingsgebied – de Hollandse Zending.

De eerste pastoor-missionaris van de nieuwe statie werd Henricus Pieck, eerder kapelaan op ‘t Zand in Amersfoort. Kerkdiensten zullen bij het ontstaan van de statie gehouden zijn in schuilkerkjes en bij de mensen thuis.
Pieck werd opgevolgd door Gijsbert Pelt (van 1656-1692), benedictijn van het klooster in Paderborn. Van 1692-1695 was de uit Leuven afkomstige Matthias Oosterling pastoor-missionaris op Hoogland. Deze was een jansenist. Volgens onze plaatselijke historicus Jan Kaas had Oosterling een huurhuis gehad dichtbij Emiclaer waar hij meestal verbleef, zodat de vrouwe van Emiclaer alle gelegenheid had hem goed te leren kennen. En dat zou de reden zijn dat de vrouwe erop aandrong als opvolger geen jansenist te benoemen.  Dat werd een norbertijn, Adriaen Mannaerts (1695-1699). De vrouwe was hem zeer gunstig gezind, want zij schonk hem grond op de Langenoord om er een kerk te bouwen.
Het jansenisme was een religieuze en politieke stroming uit de zeventiende en achttiende eeuw, die vooral in Frankrijk ontstond als reactie op bepaalde ontwikkelingen in de Katholieke Kerk en op het absolutisme van de toenmalige vorsten. Het was genoemd naar de Leuvense hoogleraar en bisschop van Ieper, Cornelius Jansen, geboren in Leerdam. Zijn boek ‘Augustinus’ dat na zijn dood in 1640 verscheen, werd door de paus als ketters veroordeeld. Leuven was in die tijd het centrum van het jansenisme.
In Noord-Nederland kwam het tot een kerkscheuring. Toen het Utrechtse kapittel in 1723 zelf een opvolger koos voor de door Rome van jansenisme beschuldigde en ontslagen aartsbisschop Petrus Codde, veroorzaakte dat een schisma tussen Rome en de Oud-Bisschoppelijke Clerezie (later de Oud-Katholieke Kerk).
   
Het achteraf-kerkje
De reden dat al niet direct in 1640, toen de statie Hoogland ontstond, een kerk gebouwd werd kan geweest zijn dat tot 1700 het voor katholieken raadzaam was niet te veel op te vallen. De heer van Emiclaer zal gelovigen een schuilplaats en plaats van samenkomst in zijn eigen, want ruime, huis geboden hebben, maar katholieken moesten zich gedeisd houden. De overgang van Jacobus II, de hertog van York en latere koning van Engeland naar het rooms-katholieke geloof eind jaren zestig, de inval van de Fransen in Nederland in 1672 en de opheffing van het Edict van Nantes (geen godsdienstvrijheid meer) in 1685 zullen de publieke opinie niet bepaald milder gestemd hebben ten aanzien van het katholieke geloof.
 
In 1696 stelde de vrouwe van Emiclaer een stukje grond van de boerderij De Langenoord in erfpacht beschikbaar voor de bouw van een kerk, vierhonderd roeden groot. De kerk lag afgelegen bij het einde van de bezittingen van Emiclaer, op Langerode, een lang eind uitgerooid bos. Achter op het erf van de reeds eeuwen bestaande boerderij De Langenoord zal die tussen de schuren en hooibergen niet opgevallen zijn. In de hele omgeving was verder geen huis te bekennen. Langenoord was vierentwintig morgen leeg gebied!
 
De latere pastoor Ram deed het voorkomen alsof Mannaerts bouwpastoor geweest was, maar Cor van den Hengel meende dat dat niet zo was. Een kerk bouwen deed de kasteelheer, tevens landheer. Zelden of nooit brachten de eigenlijke parochianen - zoals Hooglanders deden in 1870/1880 - het geld bijeen voor een nieuwe kerk. Wel leverden ze een deel van de arbeid, zoals aanvoer van bouwmaterialen en grondwerk. De winst van de boerenbedrijven van de pachters ging naar de landheer en die bouwde voor zijn pachters een kerk. Kerkenbouw was herenwerk en er werd gebouwd op grond van de landheren. De tienden voor het onderhoud van de kerk stak de landheer grotendeels in eigen zak en voortaan onderhield hij niet zijn huiskapelaan maar de pastoor van de kerspel. De landheer kon hem ook ontslaan. Deze traditie werd voortgezet na de reformatie.

Hoe zag dat eerste kerkje eruit?
Cor van den Hengel had daar wel een beeld van:
“Waarschijnlijk was het een houten schuur of schapenhok, behorend bij boerderij De Langenoord [2].
Het kerkhuys was twintig el bij tien el, dus 13,60 bij 6,80 m, de zijmuren zaten hoog en hadden vierkante vensters (het mocht niet op een kerk lijken), een pannendak met riet bovenaan voor de ventilatie. Geen toren, misschien een schapenbelletje. De kerkruimte en de pastorije zaten onder één dak, gescheiden door een brandmuur. Het huys zag uit op het oosten, want de kerk was geoost: gericht naar het Heilige Land, volgens gebruik uit de zesde en zevende eeuw.
Van binnen een hoge vierkante ruimte met open dak en inkijk in de nok. Op de lemen of estriken [tegel] vloer rijen stoelen voor de behoeftigen, ook wel dierbaar overblijfsel uit de huiskamertijd in Emiclaer en Langenoord, want in een kamer gaat men zitten voor zover er stoelen zijn. Tegen de brandmuur het altaar met een tabernakel, opzij de beelden van Maria en Joseph, ervoor de godslamp brandend boven of voor de Communiebank. Er was een middengang, opzij liepen de rijen dood tegen de muur, aan weerszij twaalf tot vijftien rijen van vijf stoelen, dus 120 tot 150 plaatsen.
Achterin een piepklein zingzoldertje [plaats waar het koor stond]? Een orgeltje? Of later pas?
Langs de zijmuren zeker na 1740, als de paus het voorschrijft, een kruisweg, in 1759 in veertien staties vastgezet.
De heer en vrouwe van Emiclaer zullen een ‘heerebank’ in dit kerkje gehad hebben.”
             
Vanaf 1696 had Hoogland dus voor het eerst een echt, eigen kerkgebouw.
De pastoor had aanvankelijk geen ander inkomen dan de biechtpenning, een schelling (zes stuivers). In oudere biechtstoelen vond je soms nog de dichtgemaakte gleuf voor de biechtpenning, die in 1920 verboden werd. De jaarlijkse rondgang langs de huizen, waarbij de vier kerkmeesters geld inzamelden, was voor het onderhoud van de kerk, niet voor de pastoor.

Impopulaire en eigengereide herders
Toen het kerkje klaar was, benoemde de jansenistische apostolisch vicaris (latere aartsbisschop) Codde een geestverwant. Ambrosius Augustinus Scheuning (1699-1709) uit Amersfoort werd de nieuwe pastoor, de eerste in een nieuwe, eigen kerk. Maar het klikte niet tussen de pastoor en zijn gemeente. Zo werd er tussen 1704 en 1707 slechts één kind gedoopt. Ook gingen de parochianen niet bij Scheuning ter biecht die daardoor zijn belangrijkste bron van inkomsten (de biechtpenning) miste, ‘hij wier uitgehongerd’[3]. “Concurrenten” van Scheuning waren de Nijkerkse jezuïeten in Het Zandhuisje in Hooglanderveen en de in Amersfoort gelegen kerken op ’t Zand en de Kromme Elleboog [nu: Elleboogkerk]. Vanuit Hoogland leidden allerlei biechtpaadjes naar Amersfoort.
De nuntius te Brussel deed actief mee in het tegenwerken van Scheuning: de grensscheiding tussen de staties van Hoogland en Amersfoort werd tijdelijk opgeheven. Daardoor konden de (boze) Hooglandse katholieke kerkgangers gemakkelijker in Amersfoort biechten, ander waren ze gedwongen dat op Hoogland te blijven doen. Het was ook de tijd van strijd tussen jansenisten en jezuïeten, tussen de Oud-Bisschoppelijke Clerezij en het pauselijk oppergezag.

Ook Hermanus Josephus Ram van Schalkwijk, norbertijn, die van 1732-1757 pastoor was in Hoogland, was allerminst populair. Hermanus was van adellijke komaf en Hoogland zal hem tegengevallen zijn: een kerkje met rieten dak, geen kachel of orgel. Gebruikelijk was dat de pastoor een schelling (zes stuivers) van elke communicant kreeg op hoogtijdagen als Kerst en Pasen, maar met Kerst 1740 kwamen vanwege de hoge waterstand driehonderd communicanten niet opdagen. Daarnaast ontving Ram f 12,- per jaar voor jaargetijden [missen ter nagedachtenis] voor overleden weldoeners. Maar Ram was geen gemakkelijk man. Veel mensen gingen liever in Amersfoort te biecht. Hij deed wel zijn best. Veel jongeren in Hoogland hadden nog nooit gebiecht. Daarom schafte Ram uit eigen middelen 150 catechismusboekjes aan. Als de jongeren die uit het hoofd hadden geleerd, kregen ze een prijsje.
 
Ook de verhouding met de kerkmeesters was niet best. Kerkmeester Rosendael had meermalen beloofd iets te doen aan het lekkende dak van de pastorie en de slecht trekkende schoorsteen. De kerkmeesters collecteerden wel voor dat doel maar gebruikten het geld er niet voor.
 
In 1741 hadden eerdere kerkmeesters buiten de pastoor om voor f 223,- een ciborie (een zilveren miskelk, waarin de hosties werden bewaard) gekocht van geld bestemd voor onderhoud van kerk en pastorie. Die hadden dat gedaan omdat de pastoor van het ingezamelde geld geen ciborie had willen/kunnen kopen. De huidige kerkmeesters kregen pas na de koop van de pastoor het daartoe eerder ingezamelde geld (f 90,-).
De ciborie werd door Rosendael aangeboden tijdens uitreiken van de communie.
De pastoor weigerde echter die aan te nemen. Vervolgens ontsloeg de pastoor de kerkmeesters.De ciborie was overigens te groot voor de tabernakel en werd geveild. Over pastoor Ram van Schalkwijk en die ciborie is nog veel meer te vertellen, zie daarvoor het artikel van Gerard Raven in de Bewaarsman van april 2014: “De Hooglandse ciborie teruggevonden”.

 Vervolgens kreeg Hoogland F. Scheers (1757-1771) als pastoor, een nogal eigengereid persoon die zich weinig liet gezeggen door de kerkmeesters. Omdat er al sinds jaren klachten waren over de kerk, hadden de kerkmeesters in 1770 de kerk opgedekt en alles gerepareerd wat defect was, hetgeen bij elkaar circa f 300,- kostte. In 1771 verzocht pastoor Scheers de kerkmeesters Evert Kok, Gijsbert Breunissen, Thoon Hendriksen en Maas Wulfertsen een klein gebintje [houten constructie] aan de kerk te zetten, waarop de pastoor verklaarde alsdan een goede kerk te hebben. De kerkmeesters gingen akkoord op voorwaarde dat de pastoor de parochie rond zou gaan om te vragen of ook die akkoord ging. De pastoor haalde geld op bij de parochianen maar toen bleek dat hij plannen had voor een hele nieuwe kerk, weigerden de parochianen verdere bijdragen. Het door de pastoor gepresenteerde ontwerp voor een nieuwe kerk werd door de kerkmeesters afgewezen. De kerkmeesters traden af waarop de pastoor vier nieuwe kerkmeesters benoemde. In een gerechtelijke aanzegging legden de vroegere kerkmeesters hun zienswijze en standpunt nog eens uit, vroegen de pastoor dringend af te zien van zijn nieuwbouwplannen en stelden hem aansprakelijk voor de kosten zo hij volhardde in zijn voornemen. Van de kansel af liet de pastoor echter weten dat voor de nieuwe kerk niemand aansprakelijk zou zijn.

Op 8 juli 1771 werd de oude kerk afgebroken en op 21 september 1771 werd afbraak van de oude kerk verkocht. De oude kap kon opnieuw gebruikt worden.
 
Op 1 november 1772 werd de parochie verzocht geld te beschikbaar te stellen, want, zei pastoor Scheers ‘dat hem het mes in de buik stak’. Men kwam hem niet te hulp. Wel zette men de oude kap weer op de kerk, het was al bijna winter en is de verbouwde kerk weer gretig in gebruik genomen. Niet duidelijk is of de kerk geheel afgebroken is geweest. Misschien was er sprake van een niet voltooide vernieuwbouw.
 
Op 9 december 1772 is pastoor Scheers in stilte vertrokken en op 16 december daaropvolgend liet Scheers door voerlieden zijn goederen uit de pastorie halen. Op de Eem legde de deurwaarder beslag op die goederen . Later werden ze openbaar verkocht.


 
Tot in 1780 probeerden schuldeisers hun geld in verband met de bouwwerkzaamheden alsnog te krijgen. De kerkmeesters wilden niet betalen, maar na dreiging met een proces voor het Hof zal dat uiteindelijk toch wel gebeurd zijn. De kerkmeesters waren immers hiervoor formeel verantwoordelijk.
 
[1] De maarschalk van Eemland was oorspronkelijk de hoogste rechterlijke, bestuurlijke en militaire ambtenaar onder de bisschop van Utrecht als wereldlijk heerser. Vanaf het begin van de 16e eeuw kwam hij onder de landsheer te vallen.
[2] Schuilkerken hadden dergelijke, gemeenschappelijke, kenmerken.
[3] Citaat uit de aantekeningen van de latere pastoor Ram.
 
 
Terug naar de inhoud