2018-1-1 - Historische Kring Hoogland

Welkom op onze site
Deze website maakt geen gebruik van cookies en bevat geen online winkel
Ga naar de inhoud

2018-1-1

Publicaties > blad De Bewaarsman
Boelenhoef en Breevoort
 
Twee middeleeuwse boerderijen in Hoogland-West
 
Gijs Hilhorst en Gerard Raven
 
 
In dit zesde en voorlaatste deel in de serie ‘Boerderijen buiten de top 50’ kijken we naar twee panden met zeer oude papieren. Naar twee boerderijen die nét geen uitgebreide beschrijving kregen in ons boek Monumenten in Hoogland en Amersfoort-Noord. Ook deze boerderijen zijn helaas niet beschreven door Monumentenzorg. Maar de bewoningsgeschiedenis is interessant genoeg.

 
Boelenhoefseweg 5-7. Boelenhoef
 
Eens stond Boelenhoef rustig in de nabijheid van de Eem, maar tegenwoordig razen de auto’s voorbij over de provinciale weg N199, Amersfoort-Bunschoten. Het huidige woonhuis dateert van 1964 en er is een tweede naast gebouwd. Overigens is er nóg een boerderij Boelenhoef geweest, op de hoek van de vroegere Heideweg en de Reiniersteeg, nu in Kattenbroek.


Boelenhoef kort na de oorlog (collectie Cees van Vulpen)

Boelenhoef was een Malenhoeve. De malenhoeven bestonden al in de 12e eeuw en waarschijnlijk veel eerder; de eigenaren of Malen van Hoogland en Emiclaer vormden feitelijk het dorpsbestuur (Breevoort viel buiten dit gebied). Boelenhoef hoorde bij het gerecht Wede ofwel Hoogland en was onderdeel van de lenen van Stoutenburg. De familie Van Weede had deze in leen en beweerde ook af te stammen van de heren van Amersfoort, die zich later heren van Stoutenburg noemden. Deliana van Weede (ca 1524-1587) was de moeder van Johan van Oldenbarnevelt; door de heerlijkheden Luttike Wede en Stoutenburg te kopen probeerde Johan zich wat meer adellijke status aan te meten.
 
De eerste vermelding van Boelenhoef is van 1354, toen het Gherads Bolen goede werd genoemd, dus het erf dat ooit van Gerard Boelen was. In dat jaar gaf Wouter Woutersz van Lewen de tienden van Boelenhoef in leen uit (oorspronkelijk was die 10% van de oogst bestemd voor de voeding van monnikken, later werd dit een vast geldbedrag; het ging dus niet om de pacht van de grond zelf). Deze tienden hebben nog tot 1909 bestaan en omvatten ook slagen in Nieuwland, Calveen en Broodheuvel, land dat ooit door verdeling van malenland bij deze hoeven is gekomen.
 
In 1407 werd de hoeve in leen gegeven aan Ricoud van Bijler; daarbij werd vermeld dat Gerrit Evertsz van Lewen hem was voorgegaan. Hendrik Willemsz Verhell en zijn familie waren de eigenaar in 1528, al werd Boelenhoef toen gedeeld met Jacob Gerritsz en zijn familie. Boelenhoef lag tussen de veel grotere malenhoeven Wede en Weerhorst. In 1785 werd Boelenhoef omschreven als ‘zes en een halve morgen (6 ha) allerbest tabaksland, met twee tabaksschuren, waarvan een met een huisje annex’. Hendrik van Wisserraad kocht het voor f 5625. In 1819 verkocht hij het weer aan de RK parochie van Maria Tenhemelopneming (Elleboogkerk) te Amersfoort.
 
Rond 1950 had Boelenhoef nog duidelijk het karakter van een tabaksschuur. Hierin was een dichtgemetseld raam te zien dat vroeger hoorde bij de herenkamer. Die werd alleen gebruikt als de landeigenaar op bezoek kwam. De boerderij is rond 1975 gesloopt. De gronden die er bij hoorden, zijn gebruikt voor het doortrekken van de Bunschoterstraat naar industriegebied Isselt. En zo rijdt iedereen onbewust over Boelenhoef…

Boelenhoef anno 2017 (foto Peter Kok)


Slaagseweg 4. Breevoort
 
Deze boerderij aan de Vudijk was oorspronkelijk in handen van de adellijke familie Van Lokhorst. In 1367 ging Breevoort over naar Jan van Liesvelt, net als Groot-Coelhorst.
 
Begin 17e eeuw behoorde de hofstede Breevoort aan Casper van Dronkelaar uit Amsterdam, waardoor het ook wel erf Dronkelaar werd genoemd. Het grote herenhuis was door een gracht omgeven en fungeerde als zomerverblijf. Buiten de gracht stond de bijbehorende boerderij. Caspers zoon Pelgrim erfde het geheel en daarna diens zoon Casper. De tienden waren al eerder toegevallen aan het Burgerweeshuis te Amersfoort; daarom lieten de regenten van dat weeshuis in 1667 de afgebeelde kaart maken door een landmeter. Eigenaar was nog steeds Casper van Dronkelaar en pachter van de boerderij was Evert Evertsz.

Op de polderkaart van 1666 is het omgrachte dubbele huis met trapgevels te zien, met boomgaard en rechtsboven de boerderij1. Kennelijk is kort daarna een torentje toegevoegd, blijkens de landmeting van het volgende jaar, 1667.



In eerdere publicaties als Hoogland-West en Monumenten in Hoogland en Amersfoort-Noord is dit ten onrechte voor huis Coelhorst aangezien, zoals Ruud Hopster ontdekte2. Daarmee moeten we dus afrekenen met de gedachte dat alleen Coelhorst een huis van betekenis was. Misschien was dat wel zo, al stond van Luttike Wede op een 18e-eeuwse prent alleen nog de boerderij en was het formaat van huis Emiclaer bescheiden, blijkens een opgraving van de stadsarcheologen in 1988. En van de herenhuizen van Hoogerhorst, Kouwenhoven en Sluisdijk weten we evenmin veel, terwijl Schothorst pas in de 19e-eeuw is uitgebouwd. Dronkelaar was in ieder geval echt de moeite waard.

Detail van de landmeterskaart van 1667 (Ärchief Eemland kaart 12, archief Burgerweeshui, kaart 143 is een kladversie)

Het is interessant om de tekening van 1667 te vergelijken met een latere van 1733. Deze komt uit een collectie tekeningen van Brouërius van Nidek van panden in de omgeving, die in detail nogal onbetrouwbaar zijn en vaak ook overdreven. Vandaar onze gedachte dat Dronkelaar nooit zo indrukwekkend kon zijn. Maar de twee tekeningen bevestigen elkaar grotendeels en bovendien is deze tekening gemaakt door Andries Schoemaker, wiens werk juist wél heel betrouwbaar is. De toren is bij Schoemaker een stuk lager en dat lijkt ook veel aannemelijker. Zijn details van het huis zijn ook veel nauwkeuriger.

De landmeter van 1667 had meer oog voor het land dan voor het huis. Hij heeft eerst een kladversie gemaakt waarop het huis veel ruwer is getekend. Tenslotte valt op dat het linkerhuis inmiddels een extra verdieping heeft. Het poortje is naar een andere plek verhuisd, maar deze plek ligt op de aanrijroute en is dus waarschijnlijk correct. Het koetshuis is verdwenen, maar mogelijk had Van Nidek daar juist geen aandacht voor. Het lijkt echter wat vergezocht om te veronderstellen dat hij de landmeterkaart heeft ‘verbeterd’; vermoedelijk wist hij niet van het bestaan af.
 
Door het huwelijk van Catharina Reynburgh van Dronkelaar met een Van de Kerckhoven kwam het goed in een andere familie. Haar erfgenamen verkochten dit in 1696 aan Robertus Padtbrugge. Hij was in 1637 geboren in Parijs en gepromoveerd als arts. Padtbrugge werd in 1664 opperkoopman van de VOC, dertien jaar later gouverneur van Ternate en daarna van Ambon. Hij bestudeerde ook de natuur ter plekke. Door een verlamming kon hij later moeilijk schrijven. In 1689 kwam hij in Amersfoort wonen en hertrouwde met Catharina Thiens, uit een familie van ondernemers en een burgemeester. Padtbrugge werd in 1694 raadslid en overleed in 1703. Er is een biografie van hem³.
 
Inmiddels was de naam van het goed weer Breevoort geworden. In 1706 liet Catharina het taxeren in verband met de 20e en 40e penning (een belasting). Het geheel was toen f18.000 waard. Hun zoon Samuel van Padtbrugge en zijn vrouw Bartha Both werden de nieuwe eigenaren. Zij verpachtten de boerderij aan Geurt Theunisz Kuyer en in 1734 volgde zijn zoon Hendrik hem op, na zijn huwelijk met Francien van Wildenburgh. Toen zij in 1749 De Pol in Overzeldert konden kopen werden de nieuwe pachters Lammert Willemsz Schothorst en Jannetje Gijsberts, afkomstig van boerderij De Langenoord. Na het overlijden van Lammert trouwde Jannetje met Cornelis Hendriksz van IJsselt. Zij werden opgevolgd door zoon Willem Lambertsz Schothorst.
 
Samuel van Padtbrugge verkocht in 1732 ‘een fraye plasier plaatse gelegen bij de Eem genaamd Breevoort’ met 42 morgen (36 ha) land aan Laurent Seelen. Hij bleef tot 1781 eigenaar. Toen werd de hofstede met nog steeds evenveel land door zijn erven verkocht aan Jan Lutgers en Alida Hendriks voor f10.600. Waarschijnlijk is de aankoop iets te groot geweest, want in 1784 verkochten zij 24 dammaat (14 ha) aan de Malenwetering naast Coelhorst en nog 11 dammaat (6 ha) naast De Zwarte Tuinen en Sluisdijk aan Hannes van ’t Klooster op Hoogerhorst. Daardoor bleef er nog maar 20 morgen (16 ha) over. Erfgename Catharina Johanna Lutgers en haar man Dirk Sweers verkochten de hofstede in 1788 aan Van ’t Klooster. Breevoort werd toen nog omschreven als een buitenplaats met herenhuis, stalling en tuin, vijvers, bossen en lanen met eiken en beuken. Net als veel andere herenboerderijen in die tijd kwam Breevoort zo in boerenhanden. Mogelijk was het landhuis toen al vervallen, wat verklaart dat een rijke boer het kon kopen. Nu is er niets meer van te zien. Alleen de fundamenten rusten nog in de grond en de archeologen zouden er graag eens graven, maar dat kan pas als de grond ‘verstoord’ moet worden.
 
Hannes van ’t Klooster verpachtte Breevoort eerst, maar in 1813 ging zijn zoon Gerbrand er wonen. Hij kocht de boerderij vier jaar later. Na het overlijden van zijn vrouw trouwde Gerbrand met Teuntje Peters van Romen uit Soest. Hun opvolgers werden zoon Gerbrand en Grietje Kuijer. Na Gerbrands overlijden trouwde Grietje in 1856 met Willem Tolboom. In 1879 werd hij tijnsmeester (pachtinner en taxateur) van de Malen van Hoogland en zijn nakomelingen als boer van Breevoort hebben die functie allen vervuld.

Willem Tolboom en Grietje Kuijer, ca 1880 (collectie Jos Tolboom)

Peter Kok is naar de herkomst van deze twee afbeeldingen op zoek gegaan en sprak met Riet Tolboom, moeder van de huidige eigenaar Jos Tolboom. Zij denkt dat het ingekleurde foto’s zijn. De bekende Soester fotograaf Johannes Ebbenhorst had een zoon Cornelis Hendrikus. Deze Cornelis was ook fotograaf en had als hobby schilderen. Hij trouwde in 1874 met Teunisje van ’t Klooster, dochter van Grietje Kuijer. Het ligt voor de hand dat Cornelis de portretten heeft gemaakt, mogelijk voor Grietjes zilveren bruiloft in 1881.
 
In 1944-1945 was Breevoort het gastadres voor het gezin van de Arnhemse évacuée Toos Hansen-van Velp. Zij schreef een aangrijpend dagboek, dat door de Historische Kring Hoogland is uitgegeven4. Hieruit blijkt dat Hoogland-West geregeld het doelwit was van vliegtuigaanvallen en dat er in de nadagen van de oorlog hard gevochten is. Op Breevoort was zelfs een Duitse commandopost ingericht, waardoor de bewoners een levende schietschijf waren. Ook schreef Toos Hansen beeldend over het dagelijks leven in die barre winter van 1944-1945.

Willem Tolboom stopte kort na de oorlog met akkerbouw, omdat de zandgrond te weinig opbracht. De kippen verdwenen in de jaren ’70, de koeien in de jaren ’90 en de varkens in 2006, allemaal omdat het kleinschalige activiteiten waren. Door verdeling bij vererving is de boerderij steeds verder verkleind en heeft nu nog ruim 13 hectare. Hierop wordt gras verbouwd als voedsel voor de 800 melkgeiten die Jos en Cindy Tolboom houden. Zij hebben er ook een vergadercentrum bij. Met de overname per 1 januari 2008 zijn Jos en zijn vrouw Cindy de vijfde generatie in de familie Tolboom die deze eeuwenoude boerderij bestiert. De zesde generatie, hun kinderen Toine en Eva wonen ook op de boerderij.


Breevoort anno 2012 (foto Cor van den Braber)

Voetnoten:
¡ Zie ook het artikel van Arie ter Beek 'De Eemlandse polderkaart van 1666 in De Bewaarsman jrg. 23, nr.2 (augustus 2017), p. 53.

² Zie ook de uitgave in de Hooglandse Historische Reeks van Ruud Hopster, Wandelingen door Hoogland, Sporen van ons verleden (Hoogland 2016) p.107-109

³ H.J.Pabbruwe (nazaat) Dr Robertus Padtbrugge (Parijs 1637-Afrt 1703), dienaar van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, en zijn familie (Kloosterzande 1994)

4 'Alles vreemd, dagboek van een Arnhemse evacué'(themanummer), De Bewaarsman, jrg. 5, nr. 1 (april 2000).
 
Terug naar de inhoud