2018-3-1 - Historische Kring Hoogland

Welkom op onze site
Deze website maakt geen gebruik van cookies en bevat geen online winkel
Ga naar de inhoud

2018-3-1

Publicaties > blad De Bewaarsman
Als boerenjongen te mogen doorleren
Opgroeien op Nieuw Laurenburg (1934-1950)
ANTON HUURDEMAN

Onderstaand artikel is het eerste deel van een tweeluik waarin Anton Huurdeman zijn jeugd op Hoogland beschrijft. Aan de basis van beide artikelen ligt een lang interview met Hooglands Onvoltooid Verleden Tijd ten grondslag, de werkgroep van de Historische Kring Hoogland die verhalen van ‘oude’ Hooglanders vastlegt. Zoals gebruikelijk bij oral history ligt de nadruk op de herinneringen van de geïnterviewde, en niet op een objectieve weergave van de beschreven gebeurtenissen. Maike Lasseur heeft het interview bewerkt tot onderstaand artikel.

Wie ik ben
Op 5 maart 1934 ben ik geboren op de boerderij Nieuw Laurenburg aan de huidige Mgr. van de Weteringstraat.
Op de lagere school hoorde ik bij het eerste groepje “doorlerers” en kon daardoor op de MTS (Middelbare Technische School) en Nyenrode een technisch-commerciële opleiding volgen. Hoewel ik bij Philips als onvoldoende opgeleide boerenjongen ben afgewezen, heb ik in het buitenland succesvol gewerkt als exportmanager voor richtstraalnetten bij SEL-ITT/Alcatel in Stuttgart. In mijn laatste vier beroepsjaren was ik werkzaam als transmissie productmanager bij de Alcatel hoofddirectie in Parijs.
Anton Huurdeman 2017
Na mijn pensionering heb ik, in het Zwarte Woud wonend, twee technische vakboeken en een standaardwerk over de geschiedenis van de telecommunicatie geschreven. Met mijn vrouw Christa, geboren in Frankfurt am Main, woon ik nu in de domstad Speyer. Wij hebben twee kinderen en vijf kleinkinderen.

Gezin
Ons ouderlijk gezin bestond uit vader, moeder, drie dochters en zes zonen. Mijn vader (Cornelis) is geboren op 22 april 1888 op de in 1670 gebouwde boerderij Laurenburg aan de Overzeldertseweg, nu de Mgr. van de Weteringstraat 48 op Hoogland. Hij trouwde in het stormvloed-rampjaar 1916 met Hendrika Voorburg, geboren op 2 mei 1889 te Hoogland. Zij betrokken de voor hen nieuw gebouwde boerderij Nieuw Laurenburg aan dezelfde weg, nummer 50. Hun eerste kind, Antonius (Toon) werd geboren op 29 januari 1919.

Boerderij Laurenburg, 2018 ( foto Peter Kok)


De gevelsteen van boerderij Laurenburg ( foto Pter Kok)

Drie maanden later stierf Hendrika. Vader hertrouwde in 1920 met Margrietha (Griet) van Daatselaar, geboren op 29 januari 1890 te Barneveld. Hij kende Griet nog uit zijn vrijgezellentijd. Samen kregen zij acht kinderen; ik was de laatste. Een wenskind was ik niet. Mijn vader zou tegen moeder gezegd hebben: “Houdt dat kinderen krijgen dan nooit op bij jou?” en Toon, mijn halfbroer, meende: “Nu wordt de soep nog dunner!”
 
Op pagina 76 is de oudste foto afgebeeld die ik van mezelf met mijn vader gevonden heb. Mijn vader trekt de melkkar. Links zitten mijn zus Greet, een nichtje, mijn jongste zus Riek en nog een nichtje (de nichtjes zijn de dochters van tante Heintje en ome Jan Smink, onze buren op Laurenburg). Achterop zit ik, voor mij mijn broer Kees en daar voor een jongen van een bevriende melk-klant uit Amersfoort. De vader van deze jongen was fotograaf en heeft deze foto vermoedelijk in 1942 gemaakt. Ik was toen dus acht jaar.

Vader Cornelis Huurdeman voor de melkkar. Op de kar achterste rij v.l.n.r. zus Greet, een nichtje, zus Riek en nog een nichtje. Voorste rij v.l.n.r. het zoontje van een melkklant uit Amersfoort, broer Kees en Anton Huurdeman, circa 1942 (collectie Anton Huurdeman).

Afgezien van mijn jongste zus Riek zijn al mijn broers en zussen gestorven. Mijn broers Gerard en Thijme zijn al jong op 63-jarige leeftijd gestorven. De anderen mochten langer leven. Marie werd 91, Toon 83, Kees 83, Jan 81 en Greet 72. Mijn moeder werd 70. Mijn vader zei kort na zijn 91e verjaardag: “De lieve God mag mij snel komen halen.” Een paar maanden later viel hij bewusteloos bij het douchen. Hij is niet meer bijgekomen en twee dagen later in het ziekenhuis gestorven.

Grootouders
Mijn grootvader Antonius (Teus) is geboren 13 augustus 1842 op de boerderij Sneul in Nieuwland. Hij woonde later op Laurenburg, dat hij kocht rond 1887. Teus trouwde eerst met Maria Thijmense; zij stierf echter op 44-jarige leeftijd en Teus hertrouwde met Johanna (Jannetje) van den Heuvel, geboren op 23 april 1853. Samen kregen zij zeven dochters, waarvan één bij de geboorte stierf, en vier zonen waaronder mijn vader Cornelis (Kees). Voor zover mij bekend werkten zij allemaal in de landbouw.

Huis en omgeving
Tot mijn 16e levensjaar woonde ik thuis, dus met mijn broers en zussen op de boerderij Nieuw Laurenburg, toen E13, nu Mgr. van de Weteringstraat 50. In de omgeving waren alleen boerderijen. Op de naastgelegen boerderij, Winsenburg, woonde een protestantse familie met 16 of 17 kinderen. Met hen hadden wij weinig contact. Een boerderij verder, Lindenburg, dat ca. 1925 gebouwd is, was in bezit van Jan Boersen, de kassier van de Boerenleenbank. De derde boerderij in de buurt was 't Hallo, gebouwd in 1930. Daar woonde de familie Wulfert van de Grootevheen, met drie meisjes en drie jongens. Daar speelde ik dikwijls.

Boerderij Sneul (foto uit het boek 'Hoogland. Beelden die voorbijgaan'. 1993)


















Hun oudste zoon Bertus (auteur van Wij noemden hem Chris) was toen mijn beste vriend. Samen gingen wij te voet naar school en de kerk. De vierde boerderij in de buurt was Laurenburg. Daar waar mijn vader geboren is, woonde de familie Jan Smink. Hij was getrouwd met Hendrika (Heintje) Huurdeman, geboren op 24 oktober 1892, een zus van mijn vader. De familie Smink had vier dochters (twee op de foto van vader met de melkkar op pagina 76) en twee zonen. Tot 1945 woonde ook mijn grootmoeder daar regelmatig. Zij had geen vaste verblijfplaats meer en woonde telkens een maand of langer bij een van haar kinderen. Het meest verbleef zij bij haar dochter Jannetje aan de Bisschopsweg in Bunschoten.


Boerderij Nieuw Laurenburg, circa 1956 ( collectie Anton Huurdeman)

Dagelijks leven
Opstaan zal wel tegen 7:00 uur geweest zijn, om op tijd te voet naar de kerk en school te gaan. Het ontbijt bestond uit een glas melk en een snee brood. Brood, heel vaak door mijn moeder zelf gebakken, was belegd met kaas, een spiegelei, jam of stroop. Te voet was het ongeveer 20 minuten naar school, zoals eerder gemeld samen met Bertus. Vaak probeerden wij daarbij te vliegen: snel rennen, hoog springen en zo ver mogelijk verderop landen. Onder de indruk van de oorlog spraken wij ook veel over het dagelijks gebeuren.
 
Na een jaar kleuterschool bij de zusters op Leo’s Oord, kwam ik met zes jaar op de katholieke jongensschool Sint-Henricus. In de eerste klas hadden wij een vriendelijke onderwijzeres, een vrijgezel uit Amersfoort. Met Aap, Noot, Mies enz., met een griffel geschreven op een schrijflei, leerden wij lezen en schrijven. Ook in de tweede klas hadden wij als onderwijzeres een vrijgezel uit Amersfoort. Dat was juffrouw van Eck en zij was heel streng. Af en toe bloedde bij ons een oorlel omdat zij daar te hard aan getrokken had! Daarna hadden wij een paar onderwijzers waarvan ik mij niets meer kan herinneren. Wel kan ik mij uit die tijd een interessant boek herinneren met prachtige foto’s uit heel Nederland, dat mij al inspireerde om veel te gaan reizen.

Aan de onderwijzer van het laatste jaar, meester Böhm, heb ik heel goede herinneringen. Vooral het laatste uur op vrijdagmiddag kon hij ons boeiend de geschiedenis van Robin Hood of van Richard Leeuwenhart voordragen. Ik was altijd slecht in zingen. Eens vroeg meester Böhm: “Zingt Anton ook mee?” Daarop antwoordde de jongen die voor mij zat: “Ja, maar iets heel anders!” Het belangrijkste echter wat ik mij kan herinneren, is dat hij een klein groepje van vier tot vijf jongens, waar ik ook bij was, de mogelijkheid gaf ‘door te leren’. Op de dorpsschool was het onderwijs niet op hetzelfde niveau als in de stad. Om ons toch de mogelijkheid te geven Mulo, HBS of Gymnasium te bezoeken, gaf meester Böhm ons groepje aansluitend aan de normale schooltijd extra onderwijs en huiswerkopgaven. Ik zat in de eerste groep die zo het genoegen had als boerenjongen te mogen doorleren. Verschillende jaren daarna bepaalde de bovenmeester wie in aanmerking kwam om te mogen doorleren.

In de middagpauze werd het in een broodzakje meegebrachte belegde brood en een appel, peer of wortel gegeten. Warm eten kregen wij 's avonds thuis. De hele familie zat zan eerst op de knieën om met vader als voorbidder de rozenkrans te bidden.
Thuis heb ik vaak op een zandhoop voor de varkensschuur gespeeld met mijn jongste zus Riek.  Met pijl en boog en met een zelf geknutseld geweer speelde ik met Bertus en Henk van de Grootevheen. Bertus en Henk kregen van Sinterklaas ‘echt speelgoed’, waarmee ik dan ook mocht spelen. Voor mij bracht Sinterklaas meestal iets wat mijn broer Kees geknutseld had, maar ook wel een door mij gewenst boek.
V.l.n.r. Riek, Anton en Greet, circa 1942 (collectie Anton Huurdeman)

Later werd ook vaak Monopoly gespeeld. Toen er eens een circus op Hoogland kwam, hebben wij in de lege kippenstal ook zelf circus gespeeld. Natuurlijk speelden wij nooit met de protestantse buurkinderen! In de winteravonden bij de koffie of warme melk, las ik veel en speelden wij dikwijls kaart; schutjassen en klaverjassen. Ook luisterden wij naar de radio of zetten een grammofoonplaat op.

Om te slapen waren er voor ons jongens op zolder ingebouwde bedden gevuld met stro. In de herfst kwam er vers stro in. Ik sliep met mijn zes jaar oudere broer Kees in een bed. De meisjes sliepen in de opkamer boven de kelder.

Eten
In de middagpauze werd het in een broodzakje meegebrachte belegde brood en een appel, peer of wortel gegeten. Warm eten kregen wij ’s avonds thuis. De hele familie zat dan eerst op de knieën om met vader als voorbidder de rozenkrans te bidden.
 
Het eten werd in de woonkeuken klaargemaakt door mijn moeder en oudere zussen. Wij aten aan een grote ronde tafel. Op tafel kwam wat er in de tuin groeide, van het land kwam of in de kelder op voorraad stond. Vrijdags aten wij dikwijls vis, pannenkoeken of brij met appelmoes en ‘s zondags meestal ook met vlees en een toetje. Door de week aten wij lang niet altijd vlees. Voor de middag dronken wij koffie en na de middag thee met veel suiker en melk. Dit werd ook op het land gebracht. In de herfst werd een varken geslacht en door een slager klein gemaakt en gedeeltelijk tot worst verwerkt. Grote stukken kwamen in een rookkamer te hangen, gekookt vlees ging in weckpotten. Heerlijk was de gebakken bloedworst!


 










De winkel van bakker Keizer (foto uit het boek 'Hoogland, beelden die voorbijgaan'1993).

De belangrijkste winkel voor ons was de winkel van bakker Keizer op de Zevenhuizerstraat 56, waar ook kruidenierswaren verkocht werden, ‘s Zondags na de mis ging moeder daarheen, gaf haar boodschappenlijst af, ging koffiedrinken met een koekje en een praatje maken met andere vrouwen en nam daarna het bestelde op de fiets weer mee. Gedurende de week bezorgde de bakker ook langs de deur. Op de Ham waren een slager en winkels met huishoudelijke artikelen. Vrijdags ging men dikwijls naar Amersfoort naar de markt en om kleding te kopen.
 
Thuis heb ik vaak op een zandhoop voor de varkensschuur gespeeld met mijn jongste zus Riek. Met pijl en boog en met een zelf geknutseld geweer speelde ik met Bertus en Henk van de Grootevheen.

Hygiëne
Om ons dagelijks te wassen was op de deel een wasbak van cement met koud water en één of twee handdoeken voor de hele familie. In de varkensschuur was een waskeuken met water uit een bron in een grote open betonbak. Daarnaast was een kleine betonbak gevuld met water om de melkbussen te koelen, emmers schoon te maken en ook ons zelf te wassen. In een groot fornuis werd water gekookt voor het wassen van kleding. Iedere zaterdag werd er ook water op het fornuis heet gemaakt, zodat iedereen zich na elkaar naakt kon wassen. Natuurlijk met afgesloten deur!
 
Het toilet is een moeilijk thema. Ik droom er nu nog van. In dezelfde varkensschuur was een poephokje, met uitloop in de gierput. Billen afvegen deed je met krantenpapier. De jongens mochten er heen om te poepen; de meisjes ook om te plassen. Wij jongens moesten maar zien waar wij buiten ongezien konden plassen! In de winter ging dat tussen de koeien, in de zomer ergens om een hoek of bijvoorbeeld tussen een schuur en hooiberg. Nog moeilijker werd het toen er veel vluchtelingen waren en ik bij het religieus onderwijs leerde dat niemand het lichaamsdeel waarmee je moest plassen mocht zien! Ook mocht je er zelf niet onnodig naar kijken en/of aanraken. Daarom moest je in bed je handen netjes boven de dekens houden om het risico te voorkomen dat je iets ernstigs moest biechten! Heel lastig werd het, als in een strenge winter de poep in het poephokje vast vroor en vanuit de gierput los gestoken moest worden. Dit was een onaangename klus voor mijn oudste broer! Aansluitend werd het fornuis dan wel extra voor hem aangestoken, om zich grondig te kunnen wassen.

Kleding had men weinig. Ik droeg meestal iets wat voor mijn broers te klein was geworden. Wel zorgde mijn moeder er goed voor dat wij buiten de boerderij nette en schone kleding aan hadden. Ook werd er kleding van familie en bekenden aangenomen en zo mogelijk weer doorgegeven. Ik herinner mij weer een conflict dat ik in mijn schoolklas meegemaakt had toen ik tot mijn verbazing zag dat een jongen mijn korte broek droeg die ik een paar dagen daarvoor zelf nog aan had. Er ontstond een klassenstrijd in dubbele zin! Hij, als zoon van een middenstandsfamilie, wilde geen kleding dragen van een boerenzoon. Wat was er gebeurd? Mijn broek was voor mij te klein geworden, maar ik droeg hem nog graag. En in een gesprek bij bakker Keizer werd mijn moeder gevraagd: “Hoe krijg je Anton in zijn broek?” Mijn moeder was er door geraakt, gaf de broek weg en de moeder van bovengenoemde jongen nam het graag aan zonder hem te zeggen waar die broek vandaan kwam.

Wij droegen klompen. Ook naar school had ik klompen aan. In de winter gevuld met stro. Mijn eerste schoenen kreeg ik waarschijnlijk met zes jaar voor mijn eerste communie.

Seizoenen
In de winter was het heerlijk om te schaatsen. Dat leerden wij snel achter een stoel op een grote bevroren plas voor de schuur. In de zomer was daar een grote zandhoop om te spelen. Daar bouwden wij landschappen met tunnels, wegen en huizen. Op een fiets van broer of zus leerden wij fietsen: kinderfietsen kenden wij niet. In de zomer was het een plezier om een hele dag in de polder door te brengen bij het hooien.
Met Riek speelde ik in het hooi en wij hielpen ook vader en mijn grote broers bij het hooi binnenhalen.                              
Anton op klompen, circa 1943
(collectie Anton Huurdeman)

Voor het middageten had moeder royaal pannenkoeken met stroop meegegeven. Met het hooi, geladen op een grote paardenwagen, reden wij over de Bunschoterstraat naar huis. Riek en ik zaten dan bovenop het heerlijk ruikende hooi.
 
In de zomervakantie was men thuis, men ging niet op vakantie. Als hoogtepunt waren er kinderfeesten. Neefjes, nichtjes en vrienden werden voor een namiddag uitgenodigd. Wij speelden met elkaar; blinde koe of verstoppertje spelen ging altijd goed. Wij kregen sapjes, chocola, biscuit met hagelslag en broodjes. Ook gingen mijn vader, moeder, Greet, Riek en ik elk jaar met de brik een dagje naar tante Sjaan in Hooglanderveen, een zus van mijn moeder, en naar tante Gyp en ome Toon in De Mossel in Hamersveld, een broer van mijn moeder.

Werk
Meewerken op de boerderij was vanzelfsprekend. Al jong kon ik in de tuin onkruid wieden. Op zaterdag moest ik meestal de tuin harken en met een bezem de erfverharding vegen. Riek en ik schilden de aardappels. Bij het oogsten hielpen wij allemaal mee. Meehelpen moesten wij natuurlijk ook bij het schoonmaken van de stal in het voorjaar, zodra de koeien in de weide waren. Op de schone deel konden wij spelen en er was daarna ook plaats om te eten.
 
’s Avonds moest ik ook dikwijls koeien in de weide melken. Heerlijk vond ik het om de melk direct van de koeienuier in mijn mond te spuiten! Prettige klusjes waren melk geven aan kalfjes en lammetjes en aan de biggetjes die verstoten waren door de zeug. Ook voer geven aan kuikens en kippen was kinderwerk. Gedurende de winteravonden hielp ik mee sigaretten te stoppen. De zelf verbouwde tabak werd gedroogd en gesneden. Met een speciaal vulapparaatje werd de gesneden tabak daarna in lege papieren hulzen geschoven.

Huishouden en taakverdeling
Moeder zorgde voor de kleding, voor het eten en voor de tuin. Zij haalde de kippeneieren uit, maakte boter, kaas en bakte heerlijk brood. Vader zorgde voor het vee en voor bouw- en weiland. Moeder werd geholpen door de dochters, vader verdeelde het werk en kreeg hulp van de zonen en ook van zijn dochters, vooral tijdens de hooibouw. Je mocht dan bij uitzondering op de fiets naar school, zodat je sneller thuis kon komen om te helpen met melken. Als moeder en mijn oudste zus Marie thuis aan het werk waren, werd er vrolijk gezongen. Rond de middag moest ik dan dikwijls buiten gaan kijken of de mannen al van het werk kwamen. Want als vader voor het middageten thuis kwam moest het eten al warm op tafel staan.


Boerderij Nieuw Laurenburg, 2018 (foto Peter Kok)

Kerk en geloof
Wij waren katholiek en gingen regelmatig naar de St. Martinuskerk, iedere zondag naar de Heilige mis en om 18 uur naar het lof. Ook gingen wij dagelijks vóór school en één keer in de maand om te biechten! Het kerkbezoek was ook nuttig om vrienden te treffen. Heftig was de voorbereiding op Pasen. Het vasten werd streng aangehouden. Geen vlees, geen feest. Wij hadden een vastendoos, waarin de snoepjes opgeborgen werden en pas op paaszaterdag 12 uur mochten wij er snoepjes uit nemen. En dan die strenge vastenpreek.
 
Ieder jaar kwam een andere pater. Op zes avonden maakte hij ons vanaf de preekstoel aan de hand van de dramatisch voorgedragen lijdensgeschiedenis van Jezus Christus duidelijk dat wij wel veel vromer moesten leven om niet door de duivel naar de hel gelokt te worden!

Heel ernstig werd het ook nog eens aan het einde van de schooltijd. Met twaalf jaar ging je de gevaarlijke wereld in. Daar was eerst nog een retraite (catechese) voor nodig, ook als voorbereiding op de plechtige communie met bewuste hernieuwing van de doopbeloften. Een week lang gedurende de dag in religieuze omgeving op Leo’s Oord werden liturgie, catechismus en de tien geboden intensief besproken. Jongens en meisjes meestal te samen, maar natuurlijk ook weer apart bij de bespreking van het zesde en negende gebod! De plechtige communie werd daarna groot gevierd met de hele familie. Je was nu geen kind meer, dus kreeg ik minstens 100 sigaretten. Nu moest gelijk gerookt worden, om te zien of men dat al kon zonder het in zijn broek te doen en ja, ik kon het! Later heb ik ook pijp en sigaartjes gerookt. Met ca. 30 jaar echter ben ik niet-roker geworden.
 
Voorname mensen in het dorp
Tot de voorname mensen in het dorp behoorden de pastoor, de kapelaan, de burgemeester, de bovenmeester en ook de dokter. De pastoor ging regelmatig op bezoek bij de jonge gezinnen om hen aan te sporen hun plicht, de Bijbelse tekst: “Ga heen en vermenigvuldig u” na te leven. Bij ons was daar met negen kinderen duidelijk gehoor aan gegeven. Toen de pastoor niettemin bij ons een keer op de koffie was, ging onze poes op zijn schoot zitten en beviel prompt van een aantal poesjes! De pastoor was nat, voor ons kinderen was het een belevenis, maar moeder vond het vreselijk. Mijn moeder was helaas dikwijls ziek. Dan kwam dokter Verbeek. Door vader werd hij dan naar moeder in de slaapkamer gebracht. Na enkele minuten kwam hij weer terug met de stereo-type opmerking: “Ik maak een poedertje, dat kan vanavond afgehaald worden.” Zoals onder “Kerk en geloof” geschreven, ontmoette men vrienden en bekenden na de kerk. En natuurlijk ook bij het schaatsen en bij dorpsfeesten. In de familie werden bijzondere verjaardagen en huwelijksfeesten gevierd.

Dit was deel één van een tweeluik. Deel twee verschijnt in het volgende nummer.

(Redactie: Een uitvoerige stamboom over 11 generaties Huurdeman teruggaand tot het jaar 1617 staat op de website van de Historische Kring Hoogland.


Terug naar de inhoud