2019-2-1 - Historische Kring Hoogland

Welkom op onze site
Deze website maakt geen gebruik van cookies en bevat geen online winkel
Ga naar de inhoud

2019-2-1

Publicaties > blad De Bewaarsman
Woningnood en noodwoningen 1940-1970
De laatste noodwoning staat op De Pol
RUUD HOPSTER
 
Vanaf mei 1940 kent Hoogland een lange periode van huisvestings-perikelen en woningnood. In mei 1940 worden hier veel woningen verwoest door het Nederlandse leger. In de loop van de Tweede Wereldoorlog vinden ongeveer zeshonderd onderduikers in Hoogland onderdak en in het najaar van 1944 komen er na de slag om Arnhem nog eens twaalfhonderd evacués bij. Het wordt inschikken. In april 1945 wordt opnieuw een aantal huizen verwoest, nu door Duitse en Canadese militairen. De mogelijkheden voor herbouw zijn jarenlang beperkt en dat betekent een lange periode van woningnood. Uit die tijd dateren ook de noodwoningen, bedoeld als tijdelijk verblijf. Na verloop van tijd zijn ze allemaal verdwenen. Allemaal? Nee, er is er nog één tot groot genoegen van de Historische Kring Hoogland: de noodwoning op De Pol aan de Zeldertseweg 73.
 
De schootsveldverruiming
Op 10, 11 en 12 mei 1940 worden in Nederland meer dan vijfhonderd boerderijen verwoest door het Nederlandse leger, vooral bij de Grebbelinie en bij Mill. De gemeenten Hoogland en Mill zijn daarbij koploper met elk ongeveer vijftig verwoeste boerderijen tussen 1940 en 1943. In Hoogland worden 129 huizen en 49 boerderijen verwoest, waardoor 843 Hooglanders plotseling dakloos zijn.
 
Journalisten van De Eembode maken eind mei tochten door de Gelderse Vallei om zich een beeld te vormen van de schade. Over hun tocht van Amersfoort naar Hoogland schrijven ze: ‘Wanneer we de spoorlijn over zijn weten we niet wat we hier beleven. Tot Hoogland toe is het één ruïne, een chaos van drooggevallen inundatiegronden, gevelde boomstammen en jonge populiertjes uit de vernielde boomkwekerijen. En tusschen dat alles liggen de puinen van wat eens aardige villa’s, statige huizen en mooie boerenhoeven waren.’
 
Verwoeste boerderij De Drie Morgen op Liendert na de schootsveldverruiming  van 10-12 mei 1940 (Archief Eemland).
 
 








Anderhalve maand later bezoeken ze opnieuw ‘het houten dorp’ van Hoogland:
‘De heelen Hooglandschen weg af zien we naast de puinhoopen houten noodgebouwen staan, waar de eertijds verdreven families zich in hebben gevestigd. Zij zullen het wel wat bekrompener hebben dan vroeger, want de wasch wordt buiten gedaan. Maar wie kijkt er nauw in dezen tijd?’

De herbouw van de boerderijen die verwoest zijn in het kader van de schootsveldverruiming heeft prioriteit na mei 1940, want voor de voedselvoorziening zijn die belangrijk. De eerste steen van de boerderij van Van ’t Klooster in De Slaag wordt al op 20 september 1940 gelegd, maar de nieuwbouw van alle vernielde boerderijen vraagt tijd. Veel boeren hebben daarom zelf al een noodwoning gebouwd en met het oog op de winter helpt het Bureau Wederopbouw die 48 noodwoningen beter bewoonbaar te maken – dubbelwandig en waterdicht. En er komen op korte termijn nog vijftig stenen noodwoningen bij, die later tot bedrijfsruimten zoals varkenshokken zullen worden verbouwd. Ook heeft het Bureau Wederopbouw nog vóór het najaar van 1940 250 noodstallen voor 4200 stuks vee vervaardigd van materiaal uit de afbraak van de verwoeste percelen, en van hout dat door het Bureau Ontruiming uit de stellingen van defensie gehaald is.

Reclame voor houten noodwoningen in De Eembode van 31 mei 1940 (Archief Eemland).

Er is een groot tekort aan bouwmaterialen en de luxere huizen (huize Coelhorst op het gelijknamige landgoed, villa Ruimzicht, Hamseweg 91) moeten sober herbouwd worden. Dat tekort duurt voort. Als pastoor De Jong in 1945 de vernielde Sint-Martinus wil laten herbouwen met gewelven en een toren, krijgt hij daarvoor geen toestemming.

Parasitaire lintbebouwing
Op 1 september 1940 annexeert Amersfoort met behulp van het Annexatie-noodwetje een deel van Hoogland, gelegen langs de Liendertseweg en de Hooglandseweg. Daar zijn veel woningen verwoest in het kader van de schootsveldverruiming.
 
Kaartje van de annexatie op 1 september 1940 van een deel van het grondgebied van de gemeente Hoogland door Amersfoort (Archief Eemland).
 
In een herzien werkplan, behorend bij het rapport oorlogsschade van juni 1940, merkt stadsarchitect van Amersfoort ir. C.B. van der Tak op: ‘Het is merkwaardig dat te Amersfoort veel is vernietigd dat vroeg of laat toch had moeten verdwijnen. Bovendien is de afschuwelijke parasitaire lintbebouwing langs de Liendertscheweg en de enclave Hoogland en langs de Hooglandscheweg ‘gelukkig’ verdwenen.’
 
Parasitaire lintbebouwing? In het Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw van januari 1939 staat daarvan een omschrijving: ‘Dat is een zó onjuiste, eenzijdige ontwikkeling van randgemeenten direct buiten de grenzen van een kerngemeente, onder directe invloed van die kern, dat zij schadelijk wordt voor het geheel.’ Doordat vóór de grenswijzigingen van 1940 de gemeentelijke grenzen bijna de oude stadskern van Amersfoort raakten was o.a. op het grondgebied van de gemeente Hoogland een lintbebouwing ontstaan, die het bovengenoemde stadsbeeld grondig bedierf volgens Van der Tak. En hij heeft wel een idee hoe het stadsbeeld van Amersfoort eruit moet zien: buiten de Liniedijk (langs het Valleikanaal) geen huizen langs de uitvalswegen (Hooglandseweg en Liendertseweg), alleen boerderijen, ‘zodat het unique silhouette dat Amersfoort, als een door den Liniedijk begrensd gaaf geheel, vanuit de Eempolders vertoont, bewaard zal blijven.’[iii] Welnu, in dat werkplan van Van der Tak wordt in 47 gevallen herbouw op dezelfde plek van een woning, die vernield is in het kader van de schootsveldverruiming, niet toegestaan vanwege parasitaire lintbebouwing. Het betreft in alle gevallen woningen aan de Hooglandseweg en de Liendertseweg.
 
Woningnood in Nederland
Ook uit het oogpunt van volkshuisvesting is de tijd na de Tweede Wereldoorlog een dieptepunt. Tot ver in de jaren zestig is woningnood volksvijand nummer 1. Sinds de oorlog is er een enorm tekort op de Nederlandse woningmarkt. In de oorlog zijn negentigduizend huizen verwoest en vijftigduizend zwaar beschadigd en er geldt een bouwverbod waardoor de bouw vijf jaar stilligt. En na de oorlog is woningbouw geen prioriteit van de overheid. Eerst wordt er een begin gemaakt met de wederopbouw van beschadigde fabrieken, infrastructuur en bedrijven. De export en de werkgelegenheid moeten eerst op gang komen. De lonen worden laag gehouden, want dat is gunstig voor de export. Maar dat betekent dat de huren ook laag moeten blijven. En dat heeft weer tot gevolg dat het voor particuliere woningverhuurders nauwelijks aantrekkelijk is hun woning te onderhouden omdat ze de kosten van onderhoud en verbetering van de woning niet in een hogere huur mogen verwerken. Zo gaat een deel van de woningvoorraad weer verloren door verkrotting.
 
De Asbak, Emiclaerseweg 11, een midden jaren zestig afgebroken bouwvallig huisje, dat al in 1955 onbewoonbaar werd verklaard. De laatste bewoner was Aartje Walet-Doornekamp die hier sinds 1913 woonde. Het gezin telde vijftien kinderen (Historische Kring Hoogland, Het Centrum, 9 juni 1964).

Tussen 1945 en 1948 ligt de woningbouw nagenoeg stil en de tekorten nemen tot 1948 nog toe. De vraag naar (huur)woningen is echter sinds de oorlog enorm toegenomen. De Nederlandse bevolking groeit vanaf 1945 enorm snel. Er wordt jong en veel getrouwd, veel uitgestelde kinderwensen komen tot vervulling en er vindt een ware babyboom plaats. Jonge gezinnen en stellen zonder kinderen moeten inwonen bij familie – dat geldt nog voor een op de negen huishoudens in 1960.[vii] Alleenstaanden kunnen een huis met een eigen voordeur voorlopig wel helemaal vergeten. Hebben ze al een huis bemachtigd, dan moeten ze een speciale vrijgezellenbelasting betalen en ze kunnen net als andere huishoudens verplicht worden vreemden in huis te nemen.

In een enquête van het Nederlands Instituut voor Publieke opinie (NIPO) uit 1947 denkt 1/3 van de mensen die last van de woningnood hebben dat de eigen woningnood pas na vijf jaar of langer opgelost zal zijn. Achteraf kunnen we constateren dat dat nog een rijkelijk optimistische schatting was. En welke minimum-woningeisen stelt men aan een noodwoning? Een aparte woonkamer, slaapkamer en keuken, en berekend op vochtig weer en koude winters.[viii]  Aan het einde van de jaren veertig hebben ongeveer driehonderdduizend gezinnen geen eigen woning.[ix] Veel gezinnen moeten bij anderen inwonen op zolderkamertjes of zich behelpen met een schuurtje. Die uitzichtloze situatie zal nog jaren duren.

Woningnood in Hoogland
Volgens de volkstelling van 1947 zijn er in Hoogland 88 gezinnen die gescheiden samenwonen in één woning, 58 gezinnen waarbij sprake is van samenwoning met gezamenlijk gebruik van vertrekken en in 63 gevallen is er sprake van andere bewoonde ruimten (2 maal een zomerhuisje, 56 maal een noodwoning en 5 maal een noodboerderij).
 
Een van de noodboerderijen die in Hoogland kort na de schootsveldverruiming van mei 1940 werden gebouwd als tijdelijk onderdak voor het vee (Historische Kring Hoogland).

Uit deze cijfers blijkt dat 209 gezinnen geen woning of slechts een tijdelijke woning hebben. Dat ligt niet alleen aan de oorlogsomstandigheden. Alleen de ‘andere bewoonde ruimten’ zijn geheel ontstaan als gevolg van de woningnood. Bij het gescheiden samenwonen kan een inwonende vader of moeder opgegeven zijn als inwonend met een eigen huishouding, omdat de toewijzing van brandstoffen en het verlenen van een vergunning voor huisslachtingen o.a. gebaseerd is op ‘het gezin’.

Op 1 januari 1953 worden er in Hoogland 83 gevallen van woningnood geregistreerd (6 maal een eenkamerwoning, 1 maal een woonschuit, 25 maal een bouwval, 1 maal een zomerhuisje en 50 maal een noodwoning). De 25 bouwvallige woningen zijn geen noodwoningen, maar vergroten wel de woningnood.

Op 1 september 1955 zijn er in Hoogland nog steeds 49 noodverblijven, waarvan er 22 als goed, 17 als middelmatig en 10 als slecht beoordeeld worden. Het gaat om 18 houten en 5 stenen schuren, 16 noodwoningen, 4 kippenhokken, en een zomerhuisje, een consumptietent, een pakhuis, een kantoor, een spoorwagon en een woon-schip. Overigens worden termen als noodwoning, schuur en kippenhok door elkaar gebruikt.  Wat in 1953 wordt aangeduid als schuur of kippenhok is in 1955 soms een noodwoning of omgekeerd.

Opmerkelijk is overigens het aantal gebouwde schuren en kippenhokken. Vanaf zomer 1945 tot 1949 worden er in Hoogland 43 schuurtjes en schuren gebouwd en 74 kippen- en kuikenhokken. Van 1949 tot 1953 zijn dat er nog meer: 68 schuurtjes en schuren en 228 kippenhokken. Hooglanders volgen daarin het naoorlogse beleid van de overheid: eerst de infrastructuur en de productie op peil en pas daarna de huisvestingsproblemen oplossen. Gezien de goede eierprijzen besluiten veel boeren en particulieren (meer) kippen te gaan houden. Een klein deel van die schuren en kippenhokken wordt betrokken door gezinnen.

Woningbouw in Hoogland
Maar al met al blijft de woningnood in Hoogland een ernstig probleem. In december 1947 stelt het college van B en W voor om in principe tien woningwetwoningen te laten bouwen, arbeiderswoningen van 260 m3. De huurprijs van f 5 per week vindt de gemeenteraad wel wat aan de hoge kant. In 1948 worden er uiteindelijk twaalf gebouwd, zes op De Bik en zes op Sterrebos, achter de christelijke school in Hooglanderveen.
 
Drie dubbele woningwetwoningen, gebouwd aan Sterrebos in 1948 (foto Ruud Hopster).

 
 
Op 21 maart 1956 komt de gemeenteraad in spoedzitting bijeen voor een beraad over de nog steeds schrijnende woningnood. Burgemeester Laumans geeft een overzicht. Er zijn 2 woningen onbewoonbaar verklaard, 5 zijn er ontruimd en 32 gezinnen zijn gehuisvest in noodwoningen. Dan zijn er nog 46 woningzoekenden, 24 gevallen van samenwoning en 50 huwelijkskandidaten die zich wegens gebrek aan woonruimte gedwongen zien hun huwelijk uit te stellen. Het bouwen van woningwetwoningen is voor Hoogland steeds een probleem geweest. Eerst is er schaarste aan bouwmaterialen, later geldschaarste. Voor de jaren 1951 tot en met 1953 krijgt men 22 woningen, later verhoogd met 12. Voor de jaren 1954 tot en met 1956 29 woningen. Probleem is ook dat de minister de prijs van een woningwetwoning vaststelt. Lukt het niet voor dat bedrag te bouwen, dan gaat het niet door.[xiii] Als in december 1957 de nieuwe woningen aan de Eikenlaan alle zijn bewoond, wordt de zogenoemde Bronswerkwijk officieel in gebruik genomen.

De Bronswerkwijk op Langenoord in 1957 in aanbouw (Archief Eemland).

In september 1959 is ‘de nieuwe buurt’ (de bomenbuurt) deels gerealiseerd en burgemeester Laumans opent een modelwoning door met een stoffeerdersschaar een lint door te knippen. De droomwoning, gelegen in een hoekhuis van de Nieuwbosserdijk, nu Plataanweg 13, is bedoeld om de bevolking in staat te stellen kennis te maken met de moderne woon- en leefcultuur. De burgemeester deelt mee dat van de totale woningvoorraad van Hoogland nu een derde deel nieuwbouw is, en dat de helft van alle woningen, hetzij vrij nieuw, hetzij vernieuwingen heeft ondergaan. En er staan nog heel wat vernieuwingen op het programma. Bij de inrichting van de modelwoning gaat men uit van de gemiddelde beurs en dan kost dat f 4400.[xiv] Voor velen in Hoogland is dat echter niet weggelegd. Pas met de woningbouw in de bomenbuurt komt er eindelijk soelaas. En voordat de gemeente Hoogland opgeheven wordt per 1 januari 1974 zijn de wachtlijsten geheel weggewerkt dankzij de nieuwbouw in plan Bieshaar.

Onbewoonbaar verklaard
Er wordt niet alleen gebouwd, er wordt ook afgebroken. Dat is wel nodig: veel huizen zijn oud, bouwvallig en klein. In 1953 stelt de minister de Commissie voor Krotopruiming en Sanering in. Het bekende emaillen bordje ‘Onbewoonbaar verklaarde woning’ prijkt op woningen die gesloopt gaan worden.

Regelmatig worden woningen gecontroleerd door een inspecteur van Volkshuisvesting. Dat kan ertoe leiden dat geadviseerd wordt een woning onbewoonbaar te verklaren omdat die te bouwvallig is, niet meer op te knappen is, een gevaar voor de gezondheid van de bewoners vormt, of totaal ongeschikt is voor bewoning.


Bordje ‘Onbewoonbaar verklaarde woning’ (bron: internet).

Adviezen worden meestal opgevolgd door de gemeente, die de bewoners maant om binnen zes maanden te vertrekken. Maar omdat er binnen afzienbare tijd geen alternatief is, wordt de ontruimingstermijn door de gemeenteraad vaak meerdere jaren verlengd. Je kunt mensen tenslotte niet zomaar op straat zetten. In de periode 1950-1972 worden er 26 woningen onbewoonbaar verklaard: zes aan de Hamseweg, vier aan de Van Boetzelaerlaan, vier aan de Zevenhuizerstraat, twee aan de Emiclaerseweg, twee aan de Bunschoterstraat, en verder een aan de Sneulseweg, de Coelhorsterweg, de Langstraat (nu Landweg), de Droevendalsesteeg, de Heideweg, de Veenweg, de Van Tuyllstraat en de Rondweg (nu is de Jerolimodreef daar een restant van).
 
De Tintel, Hamseweg 23 (aangebouwd tegen de kruidenierszaak van Pommer, later Keet). Op de foto uit de jaren twintig staan gemeenteveldwachter Gart van de Pol en zijn vrouw Aleida Krol. In 1950 woonde hier nog de familie Van Loenen. In 1955 werd het onbewoonbaar verklaard, maar eind jaren zestig was het nog in gebruik als een soort jeugdhonk (Historische Kring Hoogland).
 
Van onbewoonbaarverklaring tot Inloophuis
Op 8 april 1964 wordt de woning aan de Emiclaerseweg 9, bewoond door de familie Bruinekool, onbewoonbaar verklaard, ontruimingstermijn zes maanden. De inspecteur van de Directie van de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid in de provincie Utrecht rapporteert dat de woning deel uitmaakt van een in vervallen toestand verkerende oorspronkelijk ruime woning, die jaren geleden in twee afzonderlijke wooneenheden is gesplitst, namelijk:
- een woonkamer, keuken, twee kleine slaapkamertjes en een open zolder met onbeschoten kap. Er is een primitief privaat in de woning. De keuken bevat geen keukeninrichting.
- een afgesplitst deel dat voorheen als dependance in gebruik is geweest bij de toenmalige bewoners van de aangrenzende onbewoonbaar verklaarde en midden jaren zestig gesloopte woning, Emiclaerseweg 11, de Asbak genaamd. De huisnummering ontbreekt, verondersteld wordt dat dit afgesplitste deel van nummer 9 ook nummer 11 heeft. De woonruimte bestaat uit een woonkamer, een opkamer en een aangebouwde houten woonkeuken. De vrije hoogte in deze woonkeuken is 2,10 m. De bedstede in de woonkamer is uitgebroken, vergroot en als slaapruimte in gebruik. In de schuur op het achterliggende erf is een primitief privaat aanwezig. Op het achtererf is een pomp voor drinkwater aanwezig. Er is geen riolering. Er is een goot voor afvoer van water uit de keuken via een greppel naar een aangrenzend weiland.

Het huis wordt door de inspecteur als ongeschikt voor bewoning beoordeeld. Desondanks blijft het bewoond. In december 1968, november 1969, februari 1970 en december 1970 wordt de ontruimingstermijn door de gemeenteraad steeds verlengd met een jaar wegens gebrek aan andere woonruimte. En steeds keurt Gedeputeerde Staten dat goed. De gemeenteraad voert als argument aan dat elke woonruimte – ook al is ze ongeschikt – bewoond moet blijven. Dat argument is echter in strijd met de Woningwet en daarover laat de Directie van de Volkshuisvesting en Bouwnijverheid geen misverstand bestaan in een brief aan de gemeenteraad: ‘Een woning die ongeschikt is ter bewoning en niet door verbetering in bewoonbare staat is te brengen, wordt onbewoonbaar verklaard.’
 
In december 1971 zijn de bewoners ten slotte vertrokken uit het huis dat nu de nummers 9 en 11 heeft. De gemeente laat de eigenaar, mevrouw H. Droog-Houtzaager, weten dat de indruk bestaat dat het huis nu opgeknapt wordt voor nieuwe bewoners, maar de schoonzoon van mevrouw Droog, de heer G.T. Haneveld, patholoog-anatoom in Baarn, schrijft dat er geen sprake is van verbouwing, slechts van rommel opruimen, enig schilderwerk en reparaties aan de ramen met als doel het pand voor omwonenden weer wat toonbaar te maken. Daarbij vindt er enig herstel plaats in de oude toestand door de inbouw in de voorgevel van een antieke middendeur in plaats van het weinig esthetische wc-raampje. Tenslotte is het een uniek huis, dat al vermeld staat op een kaart uit 1740. Tot slot nodigt de heer Haneveld de gemeente uit een bijdrage te leveren aan het opknappen. Het college van B en W gaat akkoord met het opknappen, maar wil er geen permanente bewoning in. Oogluikend stond men toe dat de dochter van de eigenaar het als zomerverblijf gebruikte.
 
De woning Emiclaerseweg 9 werd in 1964 onbewoonbaar verklaard, maar is nu bekend als het Inloophuis (foto Ans van den Heuvel-Hilhorst).

Na de bouw van de wijk Kattenbroek wordt het pand gerestaureerd. Het Inloophuis komt erin en niets doet meer vermoeden dat het vijftig jaar geleden vele malen onbewoonbaar is verklaard. Maar Hoogland heeft wèl een mooi monumentje uit de tijd van de onbewoonbaarverklaring.

De laatste noodwoning staat op De Pol
In januari 1946 vraagt Antonius (Toon) van ’t Klooster (1886-1959) van De Pol aan de Zeldertseweg 73 vergunning voor het bouwen van een noodwoning.
 
Bouwtekening van de noodwoning op De Pol aan de Zeldertseweg van A. van ’t Klooster, januari 1946 (Archief Eemland).

Die noodwoning zal dan eindelijk de mogelijkheid bieden aan zoon Gerardus Antonius (Gerard) van ’t Klooster (1913-2005) en zijn verloofde Maria Aleida (Mie) Eggenkamp (1914-2013) om te trouwen en een eigen leven te beginnen. Geen van beiden heeft geld om een huis te kopen en ook huren is ongeveer onmogelijk. Vader Toon boert zelf nog volop en is er nog niet aan toe om de boerderij aan een van zijn zonen over te doen. Veel stellen zoals zij zitten jarenlang te wachten op een onderkomen. Woningen voor jonge stellen worden niet gebouwd, veel gezinnen wonen in kippenhokken of schuren die als noodwoning bewoond worden. Mie is intussen 31 jaar oud en heeft al eens overwogen dan maar een klooster in te gaan, tot de mogelijkheid zich voordoet een noodwoning te bouwen. Via aannemer Antoon Penterman, de zwager van Mie, die in Hoevelaken een aantal woningen gaat slopen, komt Gerard aan bouwmaterialen voor de bouw van zijn noodwoning: stenen, deuren, kozijnen, ramen en de schouw. Riet voor het dak haalt Gerard uit een rietgat aan de Eem dat ligt in het land dat zijn vader huurt. Het huisje wordt gebouwd op een wat hoger gelegen zandkop naast het toenmalige erf. Die grond is eigendom van de Stichting Pieter Dirkmans Fundatie en wordt gehuurd door Toon. Pas in 1954 bij de eerste ruilverkaveling wordt het zijn eigendom. Een vergunning voor de bouw van een noodwoning op andermans grond: het laat zien hoe hoog de nood dan is en hoe wankel het bestaan.

Luchtfoto van De Pol aan de Zeldertseweg, eind jaren veertig. De boerderij staat met de voorkant naar het zuiden omdat De Pol vroeger alleen bereikbaar was vanaf het Spijkerdijkje (de latere Mgr. van de Weteringstraat). Op de achtergrond de Zeldertseweg. Links van de boerderij de verbouwde tabaksschuur en daarachter de noodwoning. Rechts van de luiers aan de waslijn het veldschuurtje (collectie familie Van ‘t Klooster).

Het huisje, 4,30 m breed, 11 m lang en 4,50 m tot aan de nok, bestaat uit een entree met halletje, een wc, een keuken, een woonkamer en een slaapkamer. In 1950/1951 is de woning verbreed met 2,75 m zodat er twee slaapkamers bij komen en de keuken vergroot kan worden voor het groeiend aantal gezinsleden. In de tabaksschuur en een schuurtje beginnen Gerard en Mie te boeren: wat koeien, een varken en een honderdtal kippen. In 1956 verhuist het echtpaar met hun zeven kinderen naar de boerderij. Daarna mag er niet meer in de noodwoning gewoond worden, maar in de jaren erna komen er toch enkele malen gezinnen wonen op voorstel van burgemeester Laumans! Als hun zoon Toon in 1971 de boerderij overneemt, verhuizen Gerard en Mie terug naar de noodwoning waar ze tot hun dood blijven wonen. Gerard overlijdt thuis op 91-jarige leeftijd en ook Mie overlijdt in haar huisje, twee dagen na haar 99e verjaardag.

Twee jaar geleden is de tabaksschuur grondig gerenoveerd met behoud van de karakteristieke gebinten en in de oorspronkelijke vorm hersteld. De tabaksschuur wordt bewoond door een dochter van Toon met haar gezin. Bij de herbestemming van de boerderij heeft het gezin ervoor gekozen om de tabaksschuur te verbouwen tot woning. Zowel de noodwoning als het veldschuurtje moeten volgens de rood-voor-roodregeling gesloopt worden. In ruil voor sloop van 1000 m2 stenen bebouwing (alle overige schuren, inclusief de noodwoning), kan een woonvergunning verkregen worden voor de tabaksschuur. De meeste schuren en bijgebouwtjes zijn inmiddels gesloopt. De laatste noodwoning op Hoogland en het veldschuurtje staan er nog.

De noodwoning op De Pol in de winter enkele jaren geleden (collectie familie van ‘t Klooster)

Behoud van Hooglandse tradities en haar materieel erfgoed
Er zijn op Hoogland, waar toch al zoveel gebouwen uit het verleden verdwenen zijn, nauwelijks nog woningen die iets zeggen over die schrale, zware periode van na de Tweede Wereldoorlog. Gelukkig is er nog het Inloophuis dat ons herinnert aan al die woningen die na de oorlog onbewoonbaar verklaard zijn.
 
En daarnaast bestaat dan ook nog als geval apart de laatste noodwoning in Hoogland op het erf van De Pol aan de Zeldertseweg 73. Een herinnering aan de tijd dat er in Hoogland 209 gezinnen waren die of helemaal geen woonruimte hadden of slechts over tijdelijke woonruimte konden beschikken in de vorm van schuren, kippenhokken of primitieve noodwoningen.

De Historische Kring Hoogland heeft als eerste doel het behoud van Hooglandse tradities en haar materieel erfgoed, waaronder mede begrepen de zorg voor monumenten en gebouwen. Vanuit dit oogpunt zou zij het verdwijnen van de laatste noodwoning met veldschuurtje op Hoogland dan ook zeer betreuren.
 
Terug naar de inhoud